Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 1.1899-1900

Page: 146
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1899_1900/0157
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
Een belangrijk vonnis.

Nederland behoort tot die landen, waar op kunstgebied bijna
onbeperkte vrijheid heerseht. Mogen wij dit niet genoeg kunnen waar-
deeren, waar wij de verschrikkingen van een lex Heinze onze oostelijke
naburen in beroering zien brengen, minder onverdeeld is die waardeering,
waar wij ook de keerzijde ondervinden, het nagenoeg geheel ontbreken
van bepalingen tot bescherming van oude kunstwerken. Ik acht het
daarom niet zonder belang, de aandacht te vestigen op een vonnis van
het hof van appèl te Gent van 23 December 1898, afgedrukt in het
bulletin der Maatschappij van geschied-en oudheidkunde te Gent, 7Jc jaar
(1899) No. 1, te meer daar dit vonnis geheel berust op het K. B. van
16 Augustus 1824, No. 45, hetwelk ook voor Noord-Nederland gold
doch hier werd afgeschaft bij K. B. van 24 Oetober 1868 No. 143, als
in strijd met de Grondwet en de wet van 1853 No. 102 (scheiding van
kerk en staat).

Te Lovendegem was bij de restauratie der kerk een altaar met
beeldhouw- en schilderwerk verwijderd. Het was er niet op vooruitgegaan
door de slechte verzorging en werd door den pastoor van de parochie
in 1897 verkocht voor fr. 60, waarbij hij echter had nagelaten om van
de kerkfabriek hiertoe een besluit uit te lokken en de bij art. 5 van
het genoemd K. B. vereischte machtiging te verzoeken. Art. 5 vereischt
n.1. koninklijke machtiging voor «uit de kerken weg te breken, te vervoe-
ren of te vervreemden, of zich eenige andere beschikking te veroor-
loven met opzicht tot de in de kerken geplaatste voorwerpen van
kunst of geschiedkundige gedenkstukken, van welken aard die ook zouden
mogen zijn, voor zooverre zij niet toebehooren aan bijzondere genoot-
schappen of bijzondere personen.«

De pastoor beriep zich op het ontbreken van kunstwaarde bij
het verkochte altaar, doch het Hof besliste dat zijn voorganger het
altaar in hooge eere had gehouden en dat, hoewel de deskundigen
ovër de kunstwaarde verschilden,1) in elk geval de beoordeeling van de
vraag in hoeverre kerksieraden vielen onder het verbod van artikel 5
berustte bij het openbaar gezag en niet bij de hiertoe onbevoegde
plaatselijke beheerders, zoodat dit artikel van toepassing moest geacht
worden op alle voorwerpen in de kerken en niet slechts beperkt tot
voorwerpen van werkelijke kunstwaarde (objets d'art dun mérit réel)
of van erkend historisch belang. Dat men in tegendeel de termen

1) Het voor 60 francs verkocht altaar bracht later bij verkoop eerst 650 en daarna
750 francs op buiten de schilderstukken, die na eenige restauratie 1925 francs opbrachten.
loading ...