Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 1.1899-1900

Page: 154
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1899_1900/0165
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
Deze gevelsteenen werden vroeger aan Hendrik de Keijser
toegeschreven. Nieuwere auteurs volgden hierin de slordigheid van
Wagenaar, die de vermelding van Domselaer (Beschrijving van Amster-
dam, 4en Boek, blz. 128) als waren de voorgevels der gebouwen van
het Huiszittenhuis «vercijrt met drij konstige uitgehouwen hartsteenen,

gedaan door den vermaarden steenhouwer.....Keijser,« eenvoudig

aanvult met den naam Hendrik. Aangezien echter het N. Z. Huiszit-
tenshuis eerst in 1649 voltooid is en Hendrik de Keijser reeds in 1621
gestorven is, vervalt deze attributie. Nu vinden wij, dat een zoon van
Hendrik, Willem de Keijser, in 1647 stadssteenhouwer is en als zoo-
danig nog vermeld wordt in 1652 (Oud-Holland, 6en jaargang p. 226).
Onze gevelsteenen zijn dus zeer waarschijnlijk van dezen laatste, van
wien wij ook het bas-relief op de graftombe van Tromp, te Delft
hebben.

Te oordeelen naar deze werken, was Willem een veel verdienstelijker
kunstenaar dan zijn oudere broeder Pieter, de maker van de hoogst
middelmatige tombe van Piet Hein in de Oude Kerk te Delft. Willem
zet de traditie van zijn vader voort. Zijn kunst is gezond naturalistisch
en in wat men «sculpture de genre« zou kunnen noemen, een huiselijke
opvatting van het in reliëf brengen van tafereelen uit het burgerleven,
welke in die dagen ook in de zuidelijke Nederlanden en in frankrijk
in de mode was, mag hij een eerste meester genoemd worden. De
eigenaardige zin van den Hollandschen beeldhouwer voor schilderachtige
effecten, waarop wij reeds vroeger hebben gewezen, vinden wij in deze
gevelsteenen al zeer duidelijk uitgesproken; de natuurlijke aanleg be-
heerschte onmiddellijk het genre.

A. Pit.

(Wordt vervolgd.)

Verzameling Van der Hoop.

Albcrt Gtyp's Gezicht op Dordrecht.

Hoe gevaarlijk het is copie te noemen, wat een repliek is, meen
ik hieronder weder met een nieuw voorbeeld te hebben aangetoond1).
Het zelfde mag gelden van het mooie gezichtje op Dordrecht van
A. Cuyp in de verzameling Van der Hoop (R. M. No. 256), waarvan
de echtheid door den heer Hofstede de Groot ten onrechte wordt
betwijfeld. Hij herhaalt den reeds vroeger uitgesproken twijfel in Oud
Holland XVII (1899) blz. 163, zonder evenwel veel nieuwe redenen voor
zijn bewering te geven. Ik zou dan ook zeker niet weer op de zaak
terug komen, en gerustelijk de beslissing aan anderen overlaten, wanneer

1) Bladz. 157—159 van dit Bulletin.
loading ...