Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 1.1899-1900

Page: 165
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1899_1900/0176
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
i65

zilver, waaronder afkomstig van een der vroegere Ommelander Zijlvesten
enz., benevens de bibliotheek, twee kisten met handschriften en charters.
Onder laatstgenoemde stukken is een deel der nalatenschap van den
vermaarden, in het begin der i8e eeuw op Rottumeroog gewoond
hebbenden graaf Clancarty. N. R. Ct.

Oude Gevonden voorwerpen te Leeuwarden..

Bij het blootleggen der fundamenten van het huis op den hoek
van het Hofplein en de Kleine Hoogstraat alhier kwamen er twee houten
vaten voor den dag, die, eenige meters van elkaar verwijderd, horizontaal
in den bodem waren geplaatst, met de bovenranden ongeveer twee
meter beneden het niveau van het Hofplein.

Met deze bevindingen in kennis gesteld, heeft het bestuur van
het Friesch Genootschap van geschied-, oudheid- en taalkunde, het
bedoelde terrein, waar, behalve de vaten, nog eenige rechtopstaande
palen en een dikke dwarsliggende balk waren ontdekt, laten photografeeren.
Daarna zijn de vaten geheel ontgraven.

Daar de fundamenten zijn gelegen aan den voet der terp, over
welker kruin de Groote Kerkstraat loopt, meende men aanvankelijk dat
de vaten uit denzelfden tijd zouden dagteekenen als de putvaten, die
men, op dezelfde wijze, in bijna iedere terp vindt, en wel met de bovenran-
den even boven of gelijk met het maaiveld.

Dit bleek echter niet het geval te zijn. Wèl zat onder ieder vat
nog een verlengvat, wèl hebben deze vaten ongetwijfeld tot regenputten
gediend, maar de aard van de voorwerpen, die in de vaten zijn gevonden,
de aanwezigheid van baksteenen in den omringenden grond, zelfs op
groote diepte, ten slotte de goede bewerking der vaten, dit alles verhindert
een gelijkstelling met de regenputten uit den terpentijd.

De duigen van de vaten zijn van boven even breed als beneden
en vervaardigd uit eikenhout.

Bij den diepsten put meet het bovenvat 75 cM., het ondervat
133 cM. De aanwezigheid van een bodem in het ondervat bewijst, dat
men hier heeft te doen niet met een wel, maar met een regenbak.
Successievelijk kwamen er voor den dag: een stuk gepolijst lei, waarop
eenige regels ióe-eeuwsch schrift zijn gekrast; een goed bewerkte,
driekante dolk, met platten schijfvormigcn knop, onderscheidene spinklosjes
van Keulsche aarde, een groot en een klein Jacoba-kannetje, uit de
15e of het begin van de 16e eeuw, verder eenige scherven van gelijksoortig
baksel.

Bij het geheel ontbreken van ouder aardewerk stellen deze kannetjes
loading ...