Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 1.1908

Page: 61
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1908/0075
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
van de eene een rood gekleurd glas en voor de andere een groen. Laat men nu hunne
lichtbundels op een wit veld projecteeren, dan zullen wij natuurlijk twee verschillende vlekken
in de genoemde kleuren waarnemen. Wanneer wij echter de beide lantaarns zoodanig laten
convergeeren, dat beide gekleurde vlekken elkaar dekken, dan zullen wij weder een witte vlek
waarnemen. Door additie der complementaire kleuren kunnen wij dus weder wit licht maken.

Wanneer wij nu echter dezelfde glazen platen tegen elkaar drukken en daar het
licht door laten vallen, krijgen wij geen wit, maar zwart, ontstaan door absorptie der kleuren.
Immers het groene licht, dat door de groene plaat wordt doorgelaten, wordt daarachter
teruggehouden — geabsorbeerd — door de roode plaat, en de roode stralen uit het spectrum
kunnen de roode plaat niet bereiken, doordat zij reeds door de groene geabsorbeerd zijn.
Het is duidelijk, dat wij bij afwezigheid van alle stralen, d.i. wit licht, zwart moeten zien.

Eene methode dus om door k/eurenmenging weder tot wit te komen is absoluut
niet van toepassing op verfstoffen 1).

Ik weet wel, men kan paars met zeer veel wit opzetten — paars dus van zeer weinig

saturatie — en met de complementaire kleur geel tot grijs maken. In de juiste intensiteits-

verhouding geven beide kleuren echter zwart en met het voor het grootste gedeelte door de
witte verf teruggekaatste witte licht dus grijs.

Dat deze redeneering echter niet die is van Prof. Six, wordt bewezen door zijne
uitspraak: »het mutsje met een paarsche onderschildering is door een gele glaceering wit
geworden”, etc. Schrijver is dus van meening, dat men met pigmenten in de complementaire
kleuren tot wit kan komen, wat een absolute onmogelijkheid is. Ik ben er dan ook van
overtuigd, dat wij na eene verwijdering van het gele vernis op het wit van het mutsje
geen paars zouden zien, doch wel een nog veel zuiverder wit.

Er zijn meer zulke onmogelijkheden in ’s heeren Six betoog. Hij schrijft b.v. »Ver-
meer heeft nog een werkzaam middel gebruikt om dat geel en blauw niet te laten spreken.
Hij heeft daar, tegen het sterke geel van het lijf, het diepe blauw van het boezelaar gezet.”

Een duidelijk bewijs, dat Prof. Six met de wet van het simultaan en successief-

contrast al evenzeer op gespannen voet verkeert. 1 2 3)

Deze wet leert ons, dat ons oog geneigd is steeds de complementaire kleur te zien
van een reeds gefixeerde kleur. Wanneer men b.v. een rood voorwerp gedurende korten

1) »Dagegen ist die Farbenmischung durch Mischung von Pigmenten, wie auf der Palette des Malers,
physiologisch nicht zulassig; sie giebt ganz andere, vor allem viel dunklere Mischfarben als die optische
Mischung der gleichen Farben mittels der angegebenen Methoden; ware namlich jedes Pigment ganz
rein, d. h. liesse es nur eine einzige Farbe hindurch, so würde die Mischung ganz schwarz sein, weil
das durch die Theilchen des einen Pigments durchgegangene Licht durch die des anderen nicht hindurch-
gelassen werden würde.” Dr. L. Hermann, »Lehrbuch der Physiologie”, 8 Aufl. S. 542.

2) Zie o. m. Chevreul. »De la loi du contraste simultané des couleurs”. etc.

L. da Vinei. »Das Buch von der Malerei. Uebers. v. H. Ludwig”. Commentar S. 217.

In Nr. 258 (164) werden die Complementarfarben als Contrastfarben aufgezahlt. Lionardo constatirt
nur, dass ebenso wie Weiss und Schwarz, Blass (Ultramarin-Asche) und Roth, sich auch Grün und Roth
und Blass und Gelb, nebeneinander gestellt, steigern.

61
loading ...