Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Hrsg.]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 1.1908

Seite: 62
DOI Heft: DOI Artikel: DOI Artikel: DOI Seite: Zitierlink: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1908/0076
Lizenz: Freier Zugang - alle Rechte vorbehalten Nutzung / Bestellung
0.5
1 cm
facsimile
tijd fixeert en dan het oog op het witte plafond richt, zal men het voorwerp daar groen
zien. In het algemeen nemen twee naast elkaar staande kleuren elk een weinig van hunne
complementaire kleur aan. Hieruit volgt, dat de beide kleurvlakken, het geel van het lijf,
gezet tegen het blauw — ultramarijn, dat naar violet trekt — van het boezelaar, des te
intensiever zullen optreden.

Meent Prof. Six dus, dat Vermeer door deze tegenstelling een zekere kleurdemping
op het oog had en hij zijn schilderij als ’t ware een sourdine wilde opzetten, terwijl hij
daarmede juist tot den hoogst mogelijken klank kwam, dan wordt de omvang van ’s heeren
Six’ vergissing eerst recht duidelijk.

H oe de schrijver overigens verklaart, dat de schaduwpartij van de muts en de halve
toon van den muur daarnaast er uitzien als de fijne grijze schaduw van wit, niet blauwig
of gelig, maar van de zuiverste kleurloosheid, terwijl hij eenige regels verder laat volgen
»dat er werkelijk een blauwe tint over den muur, een geele over het mutsje ligt” etc. is
mij niet duidelijk. Eene afsluiting met zuiver wit voor de bepaling der toonwaarde is te
minder noodig, omdat deze waarde in de tegenstelling zelve schuilt.

Maar genoeg. Naar ik meen heb ik voldoende aangetoond, dat er bedenkelijke
hiaten bestaan in de wijze waarop Prof. Six zijn onderwerp beheerscht.

Om de op schildertechnisch gebied reeds heerschende verwarring niet te vergrooten,
hoop ik, dat zijne toekomstige ontdekkingen daar minder de sporen van zullen dragen.

Den Haag, April 1908. C. F. L. DE WILD.

■ -IIE ..fl

DE AAN JAN VAN SCOREL TOEGESCHREVEN WARMENHUIZER
GEWELFSCHILDERINGEN.

Reeds eenmaal had ik gelegenheid in dit tijdschrift, toen als aanvulling van een
artikel des heeren Valentmer’s ]), mij met Noord-Nederlandsche gewelfschilderingen bezig te
houden. Door Valentiner en mij is toen aangetoond dat verreweg het grootste deel der
Naarder gewelfschilderingen werd gecopieerd naar prenten van Dürer, Lucas van Leyden
en Jacob Cornelisz. Den versierder der St. Vituskerk te Naarden kan men dus moeilijk als
een zelfstandig Nederlandsch meester vereeren.

Is het anders gesteld met hem, die boven koor en apsis der kerk van Warmenhuizen
de negen gewelfvakken beschilderde, wier overbrenging naar Amsterdam en plaatsing in
een bijbouw van het Rijksmuseum indertijd zooveel pennen in beweging bracht? 1 2)

1) «Bulletin” 1905, p. 84-86, 180-183.

2) De heftige van 1890 tot 1893 in tijdschriften en couranten gevoerde polemiek werd in een door
de Firma Th. A. van Zeggelen onder den titel »De Restauratie der Gewelfschilderingen van Jan van
Scorel te Warmenhuizen” in het jaar 1893 uitgegeven boekje bijeengebracht.

62
loading ...