Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 1.1908

Page: 211
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1908/0226
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
verhoudingen, weinig practisch belang. Voor zerken, die, op den grond liggend, aan
beschadiging zijn blootgesteld, adviseerde de referent het plaatsen tegen den muur, dat
ook in Nederland gewoonlijk het eenige redmiddel is. Het afschilferen van de steen, dat
bij ons, helaas, nogal voorkomt, als de steen, strijdig met haar groefleger, verticaal wordt
opgesteld, schijnt in Duitschland weinig voor te komen; Prof. Clemen zeide mij althans,
dat hij in zijne praktijk geen last daarvan had ondervonden. Het zou daarom misschien
de moeite loonen in ons land een onderzoek in te stellen, of het afschilferen soms alleen
bij een bepaalde steensoort voorkomt: men wist dan voor het vervolg, dat zerken van
deze steen moeten blijven liggen.

Van bizonder practisch belang was eene mededeeling van Professor Wrangel uit
Lund — den ook bij ons bekenden Zweedschen historicus — over het conserveeren van
muurschilderingen, die wegens afbraak van den muur of om andere redenen, niet bewaard
kunnen blijven op hunne oorspronkelijke plaats. In Nederland heeft dit geval zich o. a.
voorgedaan bij de afbraak der kerk te Gorinchem, waarbij de belangrijke reeks muur-
schilderingen, ten deele dagteekenend van omstreeks 1300, verloren ging, op een enkel
tafereel na — thans in het Nederlandsch Museum te Amsterdam — dat men redde door
een stuk van den muur uit te zagen. Het is duidelijk, dat schilderingen van eenigen omvang
op deze wijze niet te redden zijn en dat het middel eveneens faalt, indien de muur ter
plaatse behouden, doch de wandschildering om een of andere reden verwijderd moet worden.

De voor zulke gevallen door Prof. Wrangel aanbevolen behandeling is blijkbaar
geïnspireerd door het verdoeken van schilderijen. Muurschilderingen plegen te zijn aan-
gebracht op een pleisterlaag van 1U tot V2 c.M. dikte. Men maakt nu om een vakje van
omstreeks 25 c.M. in het vierkant, met een puntig zaagje, insnijdingen door de dikte van
de pleisterlaag. Daarna plakt men met tarwemeelplaksel (Weiszmehlkleister) een stuk papier
op dit vakje, ondersteund door een stuk bordpapier van ongeveer gelijke grootte, en zaagt
daarna met een buigzame zaag de pleisterlaag los van het metselwerk. Door het opgeplakte
papier blijft het stuk pleister een geheel, men krijgt als het ware een tegel van pleister,
dien men op het bordpapier kan wegdragen. Men legt dezen »tegel” vervolgens, met het papier
naar onderen, in een even-groote houten bak, met opstaande wanden van omstreeks l1/2 c.M.
hoogte, en giet daarin gips. Is dit hard geworden, dan heeft de beschilderde pleisterlaag
een voldoende stevigen fond gekregen; men trekt het opgeplakte papier eraf en kan de
schildering nu tegen een anderen wand aanbrengen. Het eerste vakje, dat aldus moet
worden uitgezaagd, brengt natuurlijk nogal moeilijkheden meê, wil men bij het loszagen
van de pleisterlaag de schildering niet beschadigen, maar de volgende fragmenten gaan
veel gemakkelijker. De ondervinding leerde, dat het plaksel zelfs temperaschildering niet
aantastte, en het door Prof. Wrangel meegebrachte fragment eener aldus behandelde laat-
romaansche muurschildering deed zien, dat het procédé waarlijk verrassende resultaten geeft.

Een door Dr. van Bezold aangekondigde voordracht over »die Erhaltung von
Goldschmiedearbeiten” werd uitgesteld tot het volgende congres.

De overige verhandelingen betroffen de wettelijke maatregelen en gemeentelijke

14

211
loading ...