Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 3.1910

Page: 76
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1910/0088
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
verkeer belangrijke rivieren moest voordeden opleveren, al ware 't alleen door den verkoop
van datgene, wat de doorvarende schippers voor hunne dagelijksche behoeften noodig
hadden. Doch er was meer. De geheele omgeving van het tegenwoordige Gouda was
toenmaals nog zeer boschrijk en daarmede was 't materiaal aanwezig, dat scheepstimmerlieden
en houtkoopers tot vestiging moest verlokken.

Zoo had men dus in de vroegste tijden twee, op ruim een kwartier afstands van
elkander gelegen buurten, die beide denzelfden van de rivier de Gouwe afgeleiden naam
droegen 1).

Toen echter weldra (wsch. begin 13de eeuw) ter beveiliging van het grafelijk bezit
in deze streken, aan dat punt van samenvloeiing van Gouwe en IJsel, dat 't dichtst bij
het tegenwoordige Gouda lag, een kasteel was opgericht, verplaatsten zich de bewoners
der aan de »oude Goude" gelegen buurt naar het andere »Gouda" en ontstond er dus
op die wijze een nieuw en grooter Gouda, dat weldra zeer in bloei toenam en in 1272
stedelijke rechten verkreeg 2).

Die stedelijke rechten omvatten in hoofdzaak bepaling van de vrijheid van Gouda
en vrijstelling van grafelijke tollen, terwijl als plaats voor het »halen van recht", de zoo-
genaamde hofvaart, Leiden werd aangewezen. Gouda kreeg die rechten van Floris V, die
ze schonk ter wille van Nicolaas van Cats, die toenmaals geen heer der stad was of werd,
doch waarschijnlijk slechts kastelein was. De heerlijkheid Gouda toch behoorde aan het
geslacht van der Goude en in 1272 aan Sophia van der Goude, die in 1305, als weduwe
van Jan van Renesse, kinderloos overleed. In laatstgenoemd jaar verviel Gouda dus aan
de Grafelijkheid, doch weldra (in 1308) werd 't aan Jan van Beaumont geschonken, door
het huwelijk van wiens dochter met Lodewijk van Chatillon, Graaf van Blois, de heerlijkheid
Gouda, waarbij sinds 1309 ook Schoonhoven gevoegd was, aan de Graven van Blois
kwam, om ten slotte, na den dood van Graaf Guy van Blois in 1397, voor goed aan
de Grafelijkheid te komen.

't Spreekt van zelf, dat dit jaar 1397 een keerpunt vormt in de geschiedenis der stad

1) Welke der beide vestigingen de oudste was, en welke bedoeld wordt met de »nova cultura
iuxta Goldam" in de oorkonde van 1139 (v. d. Bergh Oorkondenbk. No. 123) en in die van 1143
(ibid. No. 124) waar sprake is van een »locus qui dicitur Golda", is moeilijk uit te maken.

2) Aan dit ontstaan van Gouda uit twee buurten zijn nog zeer lang herinneringen blijven
bestaan. Elk der beide buurten had oorspronkelijk haar eigen kapel of kerk. Die, welke aan de oude
Gouwe stond, schijnt vrij spoedig nadat de vereeniging der beide buurten had plaats gehad, in verval
geraakt te zijn, in elk geval bestond zij in de 15de eeuw niet meer, maar toch werd het »oude kerckhoft"
aldaar nog in het begin der 16e eeuw jaarlijks van uit Gouda in processie bezocht. En ook na de
hervorming bleef — tot op het jaar 1673 toe — een daar in die buurt gehouden jaarlijksche kermis de
herinnering aan de oude kerk bewaren. In genoemd jaar echter werd zij »omme gewichtige redenen"
(vrees voor herleving der »paperij"?) afgeschaft.

De oorkonde, waarbij Gouda stedelijke rechten verkreeg, wordt door Mr. A. Telting als «misschien
onecht" gesignaleerd in »Aanteëkeningen van de sectie-verg. van het Prov. Utr. Genootschap sectie
letterkunde" bl. 7. Op welke gronden, is mij niet bekend. Wel is de oorkonde zelf verloren gegaan,
doch de inhoud daarvan is bewaard gebleven in een vidimus van 1335.

76
loading ...