Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 4.1911

Page: 66
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1911/0078
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
De zoons van Nicholas Stone zijn jong gestorven. Zij schijnen veel talent gehad
te hebben, wat ons hun betrekkelijk vroegen dood des te meer doet betreuren. De burger-
oorlog en het daarop volgende bewind van Cromwell waren voor de beoefening der
kunst niet gunstig en zoo hebben de drie kleinzoons van Hendrik de Keyser weinig
gelegenheid gehad hun talenten te toonen.

Het was slechts weinig, wat ik omtrent de Engelsche bloedverwanten van Hendrik
de Keyser kon mededeelen. De heer Walter J. Spiers is voornemens, een monografie van
hen in het licht te geven, die zeker met belangstelling tegemoet mag worden gezien.

A. W. WEISSMAN.

HET KONINGSHUIS TE RENEN.

Iedereen kent het Heidelberger slot. Iedereen heeft ook het alleen nog bewoonbare
deel daarvan, den Friedrichsbau, met zijn heerlijken »Altan” en met de ruïnes van de
Elisabethenbau, het jongste gedeelte van het slot (1618), bezocht. Stellig hebben die bezoekers
dan eene weemoedige gedachte gewijd aan de stichters dezer gebouwen, aan paltsgraaf
Frederik, den zwager van onzen prins Maurits, en aan zijn zoon, den ongelukkigen Winter-
koning van Bohemen met zijne doorluchtige gemalin, de Engelsche Elisabeth. Maar bijna
niemand weet, dat de onttroonde vorst, kort nadat hij, zijn Heidelbergsch paleis verlatende, een
toevlucht had gevonden in ons vaderland, ook daar alras een paleis gebouwd heeft, dat een paar
eeuwen heeft bestaan en eerst in den Franschen tijd is te gronde gegaan. Bijna niemand
weet van het bestaan van dit weidsche gebouw; nog zeldzamer zijn de personen, die zich
zijn uiterlijk kunnen voorstellen. Ik ga u de treurige geschiedenis van deze vorstelijke
stichting mededeelen, die ik gelukkig met tal van afbeeldingen kan toelichten.

Het tijdstip, toen de Winterkoning met zijn talrijk gezin vluchtend aankwam in
onze Republiek, was de periode van het opveeren van het door den krijg uitgeputte land,
dat, gedurende de Trèves uitgerust, nu bereid was om de schatten, die de steeds uitbreidende
handel hierheen voerde, te besteden aan allerlei uitgaven van weelde en smaak, — een nog
ongekend genot voor de krachtige, maar wat achterlijke bevolking der Noordelijke gewesten.
De prinsen van Oranje, de feitelijke hoofden der jonge natie, gingen voor in deze neiging.

Van ouds waren de Nassau’s rijk geweest in paleizen. Het palais de Nassau bij
het Brusselsche hof en het kleinere paleisje te Mechelen, in de residentie der regentes,
waren bekend om hunne pracht; toch had Hendrik van Nassau in zijne eigene residentie
Breda een nog veel rijker paleis, naar den eisch der jonge Renaissance, doen aanvangen, en
ook zijn zoon René had er heel zijn korte leven aan gebouwd. Prins Willem was evenmin
zuinig als zijne voorgangers; maar het leven gaf hem ernstiger zaken te doen dan het bouwen
van paleizen, en prins Maurits, de ongehuwde, kan in dit werk den rechten smaak niet
hebben gehad. Maar zijne oudste zuster Maria van Hohenlohe, die resideerde op de
kasteelen te IJselstein en te Buren, liet in beide plaatsen de sporen na van hare bouw-
lustige gezindheid. En zelfs hare jongere zuster, de onbemiddelde Emilia van Portugal,

66
loading ...