Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 5.1912

Page: 7
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1912/0019
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
OFFICIEELE BERICHTEN.

Voor het behandelde ter Algemeene Vergadering op 5 Maart te Utrecht gehouden
verwijzen wij naar een in dit nummer voorkomend overzicht van den secretaris dr. H. E.
van Gelder. De bestuursverkiezing, die daar ook plaats had, had tengevolge, dat
mr. dr. J. C. Overvoorde tot voorzitter werd gekozen; prof. Vogelsang, die als zoodanig
had bedankt, blijft lid van het bestuur, zonder functie.

Medegedeeld werd, dat de Jaarvergadering en het daaraan verbonden bezoek aan
Leeuwarden en enkele andere Friesche plaatsen zal gehouden worden 4 Juli des avonds,
5 Juli en 6 Juli des morgens.

PLAATSELIJKE MUSEA.

I. HUN DOEL.

Reeds in den eersten jaargang van het Bulletin werd de vraag naar doel en
inrichting der kleinere en plaatselijke musea opgeworpen in een vriendschappelijke brief-
wisseling tusschen de heeren S. Muller Fzn. en A. Pit1 2), welke de belangstellende nog
met genoegen en niet zonder winst herlezen zal. Sedert dien is incidenteel — bij de
behandeling van jaarverslagen en de bespreking van aanwinsten, een enkele maal ook
bij de beoordeeling van een catalogus (zeldzame vogel 1) — dat onderwerp nog wel eens
ter sprake gebracht. Maar het stond niet zoozeer als de monumentenzorg op den voor-
grond. Toch moest dat wel eens anders worden. Zijdelings was het al aangeraakt bij de
bespreking van het »viertal punten van algemeen oudheidkundig belang”, door Dr. Hofstede
de Groot op de tweede jaarvergadering 3) aan de orde gesteld, doch direct werd er de
aandacht voor gevraagd op de algemeene vergadering verleden jaar te Deventer. De heer
Moes kreeg er de door hem reeds lang gewenschte gelegenheid om de verschillende
vraagstukken, die zich bij de organisatie en bij het beheer der plaatselijke musea moeten
voordoen, te bespreken. Hij deed het op een zeer te waardeeren wijze: eenerzijds zeer
overzichtelijk en anderzijds met een stelligheid, die tot tegenspraak uitlokken moest. De
tegenspraak kwam. Doch het bleek, dat niet bij den inleider alleen, maar ook bij de
vergadering voorbereiding van het onderwerp wenschelijk was. juist om de belangrijkheid
ervan. En zoo bleef het op de agenda. Het zou, breeder opgezet, het onderwerp worden
voor een wintersche werkvergadering als die, welke verleden jaar aan de museumbudgetten
gewijd werd. Het Bestuur nam het plan over en een heele commissie van bij uitstek
bevoegden was bereid stellingen te redigeeren, welke aan de bespreking van het vraagstuk
vaste lijnen geven zouden. Drie hoofdzaken kwamen daarbij op den voorgrond: eerst het
doel, dan de inrichting der plaatselijke musea, en ten slotte hun verhouding tot de alge-

1) Eerste Jaargang blz. 98—115.

2) Juni 1900 te Dordrecht; ibid. blz. 192 en vlg.

7
loading ...