Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 10.1917

Page: 15
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1917/0027
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
de eerste proeve daarvan, die naar ik meen de goedkeuring der Voormannen der nieuwe
richting heeft.

Ik hoop, dat mijn artikel beantwoord zal worden en dat onomwonden verklaard
worde of deze restauratie de verwezenlijking is van de ideeën der Voormannen, en
waarom geen rekening gehouden is met de nog versche stellingen, door den Oudheidkundigen
Bond vastgesteld.

Misschien word ik nog eens een bekeerling op restauratiegebied, doch tot zoolang
roep ik: Heere, behoed ons in het vervolg voor dergelijke gerestaureerde monumenten.
’s-Gravenhage, Maart 1917. ADOLPH MULDER.

GEVRAAGD ANTWOORD.

Het is nu zeven jaar geleden, dat het restauratievraagstuk door den Oudheidkundigen
Bond werd aan de orde gesteld en in studie genomen. In 1910, op de voor alle leden, ook
voor den heer Mulder, toegankelijke vergadering te Gouda, brachten de heer Jos. Cuypers
en Prof. Vogelsang praeadviezen erover uit, die leidden tot de instelling eener commissie
voor het ontwerpen van grondbeginselen en voorschriften. Na eenige jaren zond die
commissie haar verslag in, waarin zij een aantal stellingen formuleerde en toelichtte, die —
met eenige tegenvoorstellen van hare leden Dr. Cuypers, Jhr. van Riemsdijk en Jhr. de Stuers —
in de vergadering te Arnhem, in 1915, ampel werden besproken. Het principieel geschil,
dank zij de tegenvoorstellen der minderheid goed geformuleerd, is daar, na lange debatten,
beslecht, en zoo konden in 1916, zonder veel praten, de stellingen worden vastgesteld,
waarmede, sedert, de Maatschappij van Bouwkunst, het Genootschap Architectura et Amicitia,
de Bond van Nederlandsche architecten en de Federatie van beeldende kunstenaars alle
hunne instemming hebben betuigd. Gedurende heel dien tijd van voorbereiding, over-
weging en overleg heeft de heer Mulder, toch zoo na bij de praktijk van het
vraagstuk betrokken, op geene wijze in het openbaar van belangstelling doen blijken. Hij
zweeg. En nu hij, post festum, eindelijk ertoe komt zich uit te spreken, nu gaat hij met geen
woord op de principieele vraagstukken in, verklaart, dat hij de sinds bijna een halve
eeuw in ons land even trouw gevolgde als bestreden restauratiemethode voor »de ware
wijze van werken» houdt, beweert apodictisch, dat enkele der stellingen van den Bond
niet deugen, maar onthoudt zich van iedere poging de overwegingen, die aan onze
opvatting ten grondslag liggen, te weerleggen, of met iets anders dan algemeenheden zijn
eigen inzicht te verdedigen.

Het is jammer, want naar dezen veteraan der oude garde hadden wij gaarne geluisterd.

Tot een principieele bespreking van het vraagstuk geeft des heeren Mulder’s
ontboezeming nu geen gelegenheid 1 2). Alleen omdat hij vraagt beantwoord te worden, en

1) Ik voor mij voel daaraan trouwens op het oogenblik geen behoefte, omdat ik in een uitvoerig

opstel, dat ik te gelegener tijd hoop uit te geven, het restauratievraagstuk reeds heb toegelicht.

15
loading ...