Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 10.1917

Page: 23
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1917/0035
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
En ik noodig den heer Mulder uit, daar voor schriftelijke gedachtenwisseling
hierover ons beiden de tijd ontbreekt, in een vergadering, die de Oudheidkundige Bond
ongetwijfeld gaarne zal beleggen, voor twee of drie, door hem uit dit lijstje aan te wijzen
monumenten, het pleidooi voor mijne stelling aan te hooren en zijnerzijds het tegendeel
vol te houden.

En wanneer de heer Mulder, of eenig ander aanhanger der »ware wijze van
restaureeren”, niet bij machte blijkt ten aanzien van deze allerbelangrijkste monumenten
staande te houden, dat zij goed zijn gerestaureerd — dan hoop ik, dat dit hem tot nadenken
zal brengen over het bij deze restauraties gevolgde stelsel — dat zelfs een zoo groot
kunstenaar als Dr. Cuypers en een zoo scherpzinnig man als de Stuers zóó jammerlijk
deed falen. Misschien wordt de heer Mulder dan inderdaad nog eens »een bekeerling op
restauratiegebied!”

Hij zal dan stellig ook wel inzien, dat de beginselen van den Oudheidkundigen
Bond aan den leider van een restauratiewerk veel zwaarder eischen stellen, dan de vroeger-
heerschende, al te lichtvaardige opvatting deed, en daarom begrijpen, welke moeilijke taak
een regeeringscommissie te vervullen krijgt, aan wie raad en toezicht bij restauratiewerken
zou worden opgedragen.

Het zal hem dan duidelijk worden, dat dit geen administratieve »raad van hooger
beroep” kan zijn, maar dat het een college worden moet, dat in de moeilijke, aesthetische
en kunsthistorische vraagstukken, die zich bij restauraties voordoen, leiding en raad
kan geven, met een gezag, dat op kunnen en kennen berust — een college daarom,
waarin, naast begaafde en fijnvoelende architecten, ook kunsthistorici zitting hebben, en
vooral ook beeldhouwers en schilders.

Maart 1917. JAN KALF.

MODERNISATIE DER KLOKKENSPEL-INRICHTING GEWENSCHT EN IN
’T BELANG VAN ONZE OUDE SPEELKLOKKEN.

In zijn contra-betoog bepaalde de heer J. W. Enschedé zich tot een afkeuring
van de modernisatie »naar Vlaamschen trant”, zooals hij het noemde (zie »Bulletin” 1915,
blz. 278 vlg.). Nu ik ga trachten het standpunt te verdedigen van hen, die meenen,
dat aan het klokkeninstrument voortdurend alle veranderingen, die verbeteringen genoemd
kunnen worden, moeten worden aangebracht, zoodat modernisatie der in den tijd der
nationale verslapping wat ten achter geraakte carillons niet langer mag v/orden uitgesteld,
lijkt het me beter de kwestie algemeener te stellen; het is zeer goed denkbaar, zelfs
waarschijnlijk, dat nog andere verbeteringen dan die, welke het Mechelsche stelsel brengt,
mogelijk en gewenscht blijken. Dit brengt het voordeel mede, dat een bespreking van
de eigenaardigheden van dit stelsel, die me in het »Bulletin” minder op haar plaats
schijnt, gemakkelijk vermeden kan worden.

23
loading ...