Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 10.1917

Page: 28
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1917/0040
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
zitting had, is met algemeene stemmen, dus ook der zijne, geoordeeld, dat modernisatie
van de oude carillon-inrichting niet noodig is. (Het rapport terzake dezer voorgestelde
en verworpen vervlaamsching van het Utrechtsche Dom-carillon is afgedrukt in de
Raadsstukken der Gemeente Utrecht 1916. Gedrukte verzameling n°. 109, 22 Sept. 1916.
Zie aldaar blz. 5 bovenaan). _ j. w ENSCHEDÉ.

DUPLIEK.

De bovenstaande beschouwingen van den heer E. gaan mijns inziens geheel langs
mijn betoog heen; ik meen dan ook te kunnen volstaan met de opmerking, dat door de
voornaamste wijziging, welke de Mechelsche inrichting brengt, slechts bereikt wordt, dat
de klepel na aanslag niet, als bij de oude inrichting, nog even in beweging blijft en
heen en weer schommelt, doch dadelijk tot rust komt, zoodat hij terstond wederom kan
aangeslagen worden. Deze inrichting, voor de Mechelsche speelwijze noodzakelijk, doch
ook voor de oude speelwijze een verbetering, brengt in den aanslag zelve geen verandering.

Merkwaardig is de beslistheid, waarmee de heer E. zich uitlaat over de virtuositeit
van iemand, wiens spel hij nimmer hoorde. De bewering, dat het Mechelsche stelsel één
is met Denijn en met hem alleen, is o. a. voldoende weerlegd in een artikel van
M. A. Brandts Buys jr. in »het Muziekcollege” van 1 Maart 1.1., waarnaar ik belang-
stellenden verwijs.

De in haar algemeenheid zonderlinge vraag, den leden der Utrechtsche klokkenspel-
commissie voorgelegd, of zij modernisatie der oude carillon-inrichting noodig achtten
(noodig waarvoor?), kon moeilijk anders dan ontkennend beantwoord worden. Dat ik
intusschen deze modernisatie zéér wenschelijk acht, behoef ik niet meer te zeggen.

A. LOOSJES.

Wij plaatsen op verzoek van Mr. Loosjes nog deze dupliek, doch achten thans
ook de discussie hiermede gesloten. Red.

VIJFDE VOORLOOPIG VERSLAG OMTRENT DE SCHILDERINGEN IN DE KAP
VAN DE ZUIDER- OF ST. PANCRASKERK TE ENKHUIZEN ]).

Zooals in het vorig verslag, van twee jaar geleden, reeds vermoed werd, ontbreekt
de kruisaflating. De kruisiging beantwoordt niet aan een der anti-typen van het Speculum,
maar staat tegenover de serpentbijting als in de Biblia pauperum en vrij trouw daarnaar
gevolgd. Hetzelfde geldt van de kruisdraging, waar Isaac het hout en Abraham de
toorts juist zoo dragen als in het blokboek. Maar de tegenhanger van de geeseling, die
in dezen bijbel ontbreekt, sluit zich waarschijnlijk wel weer bij den Spiegel aan, waar
Sloft, fïagdia&atltr a beiliotic Üt aü Itrorc onder de voorstelling staat van Job op
den mesthoop uitroepend: »*it 1101110111 3^01111111 fteilCtnCtllUl, terwijl hij door den duivel

1) Bulletin 1912 blz. 51, 1913 blz. 87, 1914 blz. 167, 1915 blz. 59.

28
loading ...