Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 10.1917

Page: 105
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1917/0117
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
j-

A

V

V

DE STAATSBEGROOTING VOOR 1917.

In het voorl. verslag werd eraan herinnerd, dat, toen de oorlogsomstandigheden in
1914 tot besnoeiing van de Staatsbegrooting noopten, de afdeeling Kunst in verhouding
tot andere afdeelingen zeer zwaar werd getroffen. In de schriftelijke gedachtenwisseling
is zulks bij de behandeling van de begrootingen voor 1915 en 1916 aangetoond en
mr. Jhr. de Stuers, wiens onvermoeiden arbeid voor de belangen van deze afdeeling men
erkentelijk herdacht, liet niet na, bij het mondeling debat de nadeelige gevolgen van deze
besnoeiing in het licht te stellen. Ook de Minister erkende ten vorigen jare, »dat de
afdeeling Kunsten en Wetenschappen naar verhouding het grootste aandeel in de bezuiniging
heeft moeten dragen.” Nu de bijzondere omstandigheden, die daartoe leidden, steeds
voortduren, hoopte men, dat de Minister, niettegenstaande de groote financieele eischen,
welke de oorlogstoestand stelt, door een minder strenge beperking van de posten dezer
afdeeling zou voorkomen, dat het behoud der monumenten schade lijdt en aan de musea
voorwerpen van kunst ontgaan, waarmede zij zonder abnormale kosten kunnen worden verrijkt.

De Minister achtte het overbodig, nogmaals uiteen te zetten, waarom hij van
oordeel was, dat op deze afdeeling in de eerste plaats bezuiniging mogelijk en zelfs
geboden is, meende er echter op te mogen wijzen, dat de begrooting voor 1917 in vele
opzichten gunstig afsteekt bij die der laatste twee jaren. Zoo is voor onderhoud van reeds
ondersteunde monumenten ƒ14.450.— meer uitgetrokken dan voor 1916, terwijl thans
weer gelden zijn aangevraagd voor tot dusver nog niet ondersteunde monumenten en de
post voor onderhoud van Rijksmonumenten met ƒ10.000.— verhoogd is. Gaarne had de
Minister ook andere posten, welke op de oorspronkelijke begrooting voor 1915 stonden,
weer uitgetrokken, doch de toestand van ’s lands financiën gedoogt z. i. niet, op dit
oogenblik nog verder te gaan.

I. MONUMENTEN.

In het voorl. verslag werd met voldoening geconstateerd, dat voor het onderhoud
van monumenten eenige bedragen zijn uitgetrokken.

Een groot aantal, waarvoor subsidieering bereids is verzocht, verkeert nog in staat
van verval, en bij sommige moet aan de restauratie spoedig de hand worden geslagen,
wil men voorkomen, dat herstel onmogelijk wordt of tot veel hooger kosten zal leiden.
Men betoogde hierbij de wenschelijkheid om een post uit te trekken, waaruit voor
onvoorziene doch spoed eischende gevallen zou kunnen worden geput, en hoopte, dat
de Minister geen bezwaar zoude maken, dezen alsnog op de begrooting te brengen.

7

105
loading ...