Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 10.1917

Page: 113
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1917/0125
License: Free access  - all rights reserved Use / Order

0.5
1 cm
facsimile
stamde en aan geen eersterangs-meester werd toegeschreven, heeft men de restauratie in
historische richting laten varen en heeft men den gevel eene herstelling doen ondergaan,
waarbij de fantasie hoogtij viert.

Men zou nu de conclusie kunnen trekken, dat in het vervolg bij restauratiën alle
gebouwen, die uit de nadagen der Gothiek stammen en waarbij technische fouten worden
aangetroffen, een moderniseering moeten ondergaan. De aangevoerde argumenten zijn
tastbaar zwak en men voelt, dat de heer Kalf moeite heeft, de Goudasche restauratie te
verdedigen. Of het beeldhouwwerk door Zijl of door een ander bekwaam beeldhouwer
is vervaardigd, doet hier niets ter zake. Een feit is het, dat de tegenwoordige toestand
ons iets heel anders te zien geeft dan den oorspronkelijken toestand, en het nageslacht
zal ons nooit dankbaar kunnen zijn voor deze willekeurige verandering, die met geen
praatje is te verdedigen.

Van het zondigen door het weglaten der crochets op de afdekking van den gevel
wordt met geen woord gerept.

Overgaande tot de algemeene beschouwing van mijn artikel vult de heer Kalf
eene geheele pagina om mij te wijzen op de ernstige misvatting, om het herstellen van
schilderijen met het restaureeren van bouwwerken te vergelijken. Doe ik dit echter?
Het is mij goed bekend, dat het herstellen van schilderijen evenals het repareeren van
gobelins eene geheel andere zaak is dan het restaureeren van monumenten. Ik haalde
slechts in eenige regelen als inleiding tot de hoofdzaak aan, hoe consciëntieus gehandeld
werd ten opzichte van het restaureeren van schilderijen.

De heer Kalf had mij kunnen tegenwerpen, dat door het restaureeren menig
schilderstuk kan worden bedorven, hetgeen ik dan had moeten beamen, doch het gaat
hiermede als met het restaureeren van monumenten. In beide gevallen hangt het er van
af, wie de restaurateur is.

De heer Kalf had heusch de geheele pag. 17 kunnen laten vervallen.

Op pag. 18 strijdt hij voor het herstellen in hetzelfde materiaal, waarmede gebouwd
is, en zoo de steen niet meer voorradig is, raadt hij aan steen te gebruiken van dezelfde
qualiteit en soort. Hierin ben ik het roerend met hem eens.

Op pag. 19 word ik door den heer Kalf van iets heel leelijks beticht. Ik zelf
zou nl. een paar jaren geleden de oude Gasthuiskapel te Amersfoort met de kille
machinale steen hebben laten beklampen: »dat de fraaie gloed van de prachtige oude
baksteen zoo verloren gaat, dat inplaats van het mooie oude metselwerk met al zijn
toevalligheden, dan het doodsche werk komt der leelijke kleurlooze moderne steen, schijnt
niemand te hinderen. Ziet men niet hoe de heer Kalf met twee maten meet? Te Gouda
wordt het beklampen der muren met moderne steen vrijwel vergoelijkt, althans slechts
betreurd, hier wordt het vermeende misdrijf breed uitgemeten. Maar het schoonste van
het geval is, dat bij de restauratie van het St. Pieters- en Bloklandsgasthuis geen enkele
moderne baksteen door mij is gebruikt doch alleen opzettelijk daarvoor gebakken hand-
vormsteen van dezelfde soort en kleur als het oude werk en met dezelfde fraaie gloed.

113
loading ...