Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 10.1917

Page: 118
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1917/0130
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
meer

tijden het waarnemen, het kijken van den kunstenaar van aftastend, tactisch,
zuiver optisch werd, dat de beeldhouwkunst niet zoozeer streefde naar de plastische
waarheid der vormen, als naar effecten van licht en donker, die ons de vormen, als op
een afstand gezien, suggereeren. Inderdaad is het waar, dat de verhouding van den
Christelijken kunstenaar tot de dingen zich meer en meer in dien geest wijzigt. De
Byzantijnsche kunst getuigt er van en zoowel in Duitschland als in Frankrijk is het deze,
die de eerste monumentale beeldhouwwerken inspireert. Nu gaat in Frankrijk echter
spoedig de beeldhouwer ook te rade met de overblijfselen van Romeinsche plastiek,
waarin de tactische waarneming nog spreekt en verloochent hij verder nooit geheel
zijn klassieke leermeesters. Anders is het in Duitschland en Noord-Nederland gesteld.
Wij zien in de middeleeuwen dus de twee opvattingen naast elkaar voortbestaan, waar-
door wij er dan ook toe zijn gekomen het verschil in beide te gevoelen. In Italië vinden
wij de Venetiaansche plastiek zich ontwikkelen uit de Byzantijnsche kunst en Jacopo
della Quercia, de leerling van de delle Massegne, uit Venetië, geeft sterk schilderachtig
beeldhouwwerk, in tegenstelling, bij voorbeeld, met Ghiberti, die het klassiek antieke
karakter getrouw blijft. De moderne opvatting, de dingen optisch te begrijpen en niet
tactisch, was ook den ouden Hollander eigen.

De hypothese heb ik slechts vluchtig willen schetsen, het lijkt mij, dat er veel
voor is te zeggen, dat zij ons eene verklaring aan de hand doet, waarmede te werken valt.

Flet meubel dat ik. hier als aanwinst kan melden, is een wandtafel in den stijl
van het Regentschap, geheel verguld met rood marmeren blad, ongetwijfeld een Fransch
werk uit de eerste dertig jaren van de achttiende eeuw. In zijn onderdeden vertoont
het ornament nog de smaak, die onder Lodewijk XIV algemeen in zwang kwam: de
geknakte krul met plotselinge tegenbewegingen en overgangen van recht in rond, maar
in de bladvormen is reeds iets lichters en eleganters gekomen. De pooten zijn nog
geschraagd, maar hun beweging is sneller geworden, de vormen ijler; men gevoelt de
vrijmoedigheid van den ontwerper, die den weg wijst aan de phantasie van het rokoko.
Zooals deze tafel in het museum geplaatst is tusschen twee armstoelen, in welke reeds
de asymetrie in het ornament is waar te nemen en het geleidelijk in elkaar overgaan
der vormbeweging, teekent zij den stijl van het Regentschap tusschen dien van Lodewijk XIV
en van Lodewijk XV, op het zelfde podium door twee vuurschermen en door een
secretaire met twee fauteuils vertegenwoordigd.

A. PIT.

■ =r=^=^=== ■ ■ ■ —■

MIDDELEEUWSCHE GLASVENSTERS.

Naar aanleiding van het beglazen van den Utrechtschen kloostergang bij zijne
herstelling in 1880 is er veel gepraat over de quaestie, of zulk eene beglazing, die bij
menschenheugenis daar niet bestaan had, ook authentiek mocht heeten, — of namelijk de
Utrechtsche kloostergang van zijne stichting af in het begin der vijftiende eeuw voor
beglazing bestemd, of althans in lateren tijd daarmee voorzien was geweest. Op zich zelf

118
loading ...