Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 10.1917

Page: 120
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1917/0132
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
versierd had en die sedert den naam Paradijs gedragen had; daar is hij 25 November 1574
overleden. Maar zijn opvolger Aernout Lanth van Peyse vond het Paradijs even genoegelijk
als de stichter gedaan had en op zijne beurt ging hij er dus wonen, zooals zijn Middelburgsche
collega op het kasteel Westhoven resideerde; hij vermaakte er zich met de jacht, en de
kloosterkroniek vertelt al zuchtend, dat ook de wijn en de vrouwen toen voor hem al te
verleidelijk geworden zijn. Intusschen, al zag de abt niet veel om naar zijne abdij, nu en dan
moest hij er toch natuurlijk ambtshalve zijn, en »ut in Adwert haberet domum, ad quam
diverteret quoties e Paradiso huc ei transire libuerit, Nigram illam cameram, quae est e
regione culinae abbatialis, disjecto ex ea altari, roboreis tabulis atque picturis lectis et vitreis
fenestvis instructam, abbateque dignam mox a principio suae creationis habitationem fecit.”
Dit bericht lijkt mij wel merkwaardig: nog na 1574 was de kroniekschrijver der
abdij dus van oordeel, dat de Zwarte kamer bij de abtskeuken, nu zij met eikenhout
beschoten, met uitgezocht schilderwerk versierd en van glasvensters voorzien was, een
verblijf geworden was, dat den spreekwoordelijk rijken abt van Aduard waardig mocht
heeten. Men was dan ook, nog in de zestiende eeuw en zelfs later, met het aanbrengen
van glas wat zuinig, getuige het bericht, dat de nonnen van het Vrouwenklooster van
Oostbroek, als zij in 1533 een nieuwen dormter laten bouwen, »in ellicke sel (lees: cel)
een bedsteden, ende een glasraempt ende een blyckvenster beneden" lieten aanbrengen.
Zulk een »blyckvenster” toch was het benedenvenster van een kruisraam, waarvan de
bovenhelft beglaasd was, terwijl de benedenhelft zuinigheidshalve alleen een luik bevatte,
dat bij koud weer gesloten bleef. Men ziet zulke »blyckvensters” nog dikwijls op de
binnenhuizen onzer zeventiende-eeuwsche meesters, die ze dikwijls gesloten lieten, omdat
het van boven invallende licht de vertrekken schilderachtig verlichtte. Dus nog in de
zestiende en zelfs in de eerste helft der zeventiende eeuw bedacht men zich tweemaal, eer men
een venster geheel deed beglazen 1). En zeker zal het dus, al was het beglazen van een
kloostergang ook in de dertiende en veertiende eeuwen voor de broeders uiterst geriefelijk,
toen stellig toch wel zelden zijn voorgekomen, dat men de groote opene bogen van den
gang zal hebben beglaasd. s MULLER Fz

EEN XVe-EEUWSCHE NEDERLANDSCHE MISKELK IN ZUID-AMERIKA.

Door bemiddeling van een vriend, die in Engeland vertoefde, ontving ik voor
eenigen tijd een extract uit het verslag eener reis, in 1913 door Engelsch Guiana gemaakt,
waarin het volgende voorkomt:

»Die kerk (bedoeld is de nieuwe Jezuïetenkerk te New-Amsterdam) bezit een
interessant en kostbaar erfstuk in den vorm van een zilver-vergulden kelk van Neder-

1) Vroeger zal dit natuurlijk nóg meer geschied zijn: het groote oostelijke (later door de librie
bedekte) bovenvenster van de sacristie van den Dom, die kort voor 1400 opgetrokken werd, is
(blijkens de groeven in een deel der traceering) grootendeels als blindtraceering behandeld en slechts
in de roset in het midden beglaasd geweest.

120
loading ...