Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 10.1917

Page: 231
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1917/0243
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
commissie zal een Rijksbureau voor de monumentenzorg verbonden worden, waarvan
de algemeene secretaris tevens directeur zal kunnen zijn. Aan dit bureau zullen zoowel
het materiaal en de bibliotheek van de Beschrijvingscommissie als dat van het tegen-
woordige bureau van K. en W. worden toevertrouwd, waardoor ook hierbij de zoolang
gewenschte eenheid zal verkregen worden.

De nieuwe regeling wordt geacht met 1 April 1918 in werking te kunnen treden.
Zooverre wij thans reeds over de groote lijnen van dit plan kunnen oordeelen zal
hierdoor eene groote verbetering in de monumentenzorg verkregen worden. Tevens
brengt het ons ook nader tot de zoolang verbeidde wet tot bescherming der monumenten,
over de voorbereiding waarvan aan de nieuwe commissie uitdrukkelijk het advies bij de
voorbereiding wordt opgedragen.

Mogen deze voorstellen bij de Kamers een gunstig oor vinden en spoedig in
verwezenlijking komen! Reeds thans past ons hier een woord van erkentelijkheid tegen-
over den Minister, die deze voorstellen heeft ingediend, en aan de ambtenaren, die hem
hiertoe hebben geadviseerd, in het bijzonder aan den secretaris-generaal Mr. Kan en aan
den referendaris Mr. Duparc, die niet heeft geschroomd om afstand te doen van eene
uitgebreide en aantrekkelijke bevoegdheid, welke het Departement op dit gebied bezat,
omdat hij inzag, dat het belang van de monumenten het wenschelijk maakte om die
bevoegdheid en de daarmede gepaard gaande verantwoordelijkheid ook door anderen te
doen deelen. J. C. OVERVOORDE.

NASCHRIFT OP: EEN XVde EEUWSCHE NEDERLANDSCHE MISKELK
IN ZUID-AMERIKA, (zie boven blz. 120).

Ongeveer tegelijkertijd dat bovengenoemd artikel het licht zag, plaatste de
Z.E. Heer C. J. Zwijsen in Bossche Bijdragen (I, 241—244) een bladzijde uit zijn
dagboek over hetzelfde kunstvoorwerp, dat hij 13 Oct. 1906 te Georgetown, waarheen
het ter reparatie was opgezonden, had aangetroffen. Met welwillend verlof van den
schrijver neem ik van zijn bijdrage hier enkele gedeelten over, die tot verbetering of
aanvulling van mijn gegevens en gissingen kunnen dienen.

De beschrijving luidt: »Een kelk met breedgemonde, vergulde cuppa. De nodus
springt sterk vooruit en heeft geslepen steenen, waarop om de beurt een familiewapen
en een dubbelhoofdige adelaar gegraveerd is. Liet voetstuk is verdeeld in zes vakken.
In een van deze bevindt zich een plat kruis met het opschrift 3f. 0. 3f. in gothieke

letters. In het tegenoverliggende vak een wapen in email. Het is hetzelfde wapen als in
den nodus, nl. een zilveren veld met twee dwarsbalken van keel. Op het uiterste randje
aan den voet is een rondloopend opschrift in gothieke letters.”

Daar het afschrift, zooals de schrijver mij meedeelde, vluchtig was genomen, zijn
er een paar onnauwkeurigheden ingeslopen, die uit de foto te verbeteren waren. Na het
jaartal volgt: QO pl'0 CO (sic), blijkbaar een vergissing van den graveur.

231
loading ...