Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 10.1917

Page: 256
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1917/0268
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
bewaring, catalogiseering en zoo mogelijk expositie der voorwerpen. In dit verband kan
nog worden medegedeeld, dat de Voorzitter der Werkcommissie zich in zijne kwaliteit van
Directeur van ’s Rijks Prentenkabinet bereid verklaarde, op eventueel verzoek der Rijks-
commissie voor de berging van teekeningen, reproducties enz. te zorgen en toezicht te
houden op het onderhoud en de catalogiseering dezer objecten, zoolang het Museum geen
eigen huisvesting heeft; deze voorwerpen zouden op die wijze dus voor het publiek
toegankelijk gesteld worden zoodra zij bij het Rijk in eigendom of bruikleen komen.
Tenslotte kwam het de Werkcommissie gewenscht voor, dat de Rijkscommissie wordt
belast met het doen van voorstellen omtrent definitieve organisatie en installatie van het
Museum en met het ontwerpen van reglementen voor de instelling en van instructies
voor de ambtenaren.

Het welslagen van de plannen voor een Rijks Architectuurmuseum zal hoofdzakelijk
van de Rijkscommissie afhangen. Maar het feit dat de voorstellen ertoe bij de Staten-
Generaal zijn ingediend is, behalve in de eerste plaats aan den Minister van Binnenlandsche
Zaken vooral te danken aan de heeren mr. J. B. Kan, Secretaris-Generaal, en mr. M. I. Duparc,
Chef van de Afdeeling Kunsten en Wetenschappen bij het Departement van Binnenlandsche
Zaken, die de zaak van den aanvang af met groote belangstelling hebben gevolgd en
krachtig hebben gesteund; zeer zeker zal een uiting van oprechte erkentelijkheid hiervoor
algemeene instemming vinden. Daarnaast komt een woord van hulde toe aan het Genootschap
Architectura et Amicitia, dat het initiatief nam en aan de Maatschappij tot Bevordering
der Bouwkunst en den Bond van Nederlandsche Architecten, die met eerstgenoemd lichaam
hunne medewerking bij de voorbereiding verleenden.

H. TEDING VAN BERKHOUT.

NOORDHOLLANDSCH BORDUURWERK VAN 1639.

In den afgeloopen zomer werd in de R. K. pastorie van Heiloo onder afgedankte
borduurstoffen een werkstuk ontdekt, waarvan de nevensgaande plaat als lichtdruk eene
goede voorstelling geeft.

Het merkwaardige van het doek bestaat vooral hierin, dat het, bij een meesterlijke
bewerking en zeldzaam goeden toestand, niet slechts een jaartal van vervaardiging draagt,
maar tevens duidelijke aanduiding van de streek waarin het vervaardigd werd, ja, naar
gegrond vermoeden, ook van een schenker van het kunstwerk of lastgever daartoe, en
zelfs van een borduurster in eigen persoon.

De grondstof is zwart laken voor het geheel, behoudens eene baan die van rood
laken in het bovenste gedeelte is tusschengevoegd. Deze baan draagt het jaartal »ANNO
1639” en den naam [AjERIAN CLAES SO[ON]. Dat de eerste letter eene A was, maar
verloren raakte, blijkt uit twee achtergebleven draadstreepjes van de aanhechting. Twee
spreukbanden sieren als bovenranden, en luiden: CTt UCllltlllt Ullt [uit] ÖC11 ïjltllfc jjact

256
loading ...