Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 10.1917

Page: 283
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1917/0295
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
de eisch gesteld door het kerkbestuur, dat het oude koorgedeelte zou blijven bestaan
en voor de schilderijen eene waardige plaats in de nieuwe kerk zou worden gereserveerd.
Was het uit oudheidkundig oogpunt van belang alleen het priesterkoor-gedeelte te
conserveeren, uit constructief oogpunt bleek het gewenscht de schipmuren voor een groot
gedeelte en ook de in 1841 gebouwde transepten te behouden.

De vormenspraak van de nieuwe kerk is van geheel ander karakter dan die van
het oude koor; door het laten staan van groote partijen metselwerk uit de 16e, 17e en
19e eeuw (die echter geen de minste architectonische waarde hadden) en de aansluiting
daarvan aan het nieuwe metselwerk, ontstond eene kakelbonte kleur-combinatie, die de
lijnen van het gebouw in stukken zou breken; het eenige middel om de gewenschte
rust te verkrijgen was alles van een kleur te maken, weshalve men moeielijk anders kon
doen dan de nieuwe kerk geheel te pleisteren.

Er is dus nog wel iets meer blijven staan dan het koor en de oude Pastorie, zij
het ook dat alleen deze laatste deelen zich in ongewijzigden toestand bevinden en er
dus nog elk oogenblik tot restauratie kan worden overgegaan. En nu de geachte inzender
deze zaak eenmaal heeft ter sprake gebracht, nu meenen wij geheel in zijn geest te
handelen door bij deze de buitenstaanders en de teleurgestelde oudheidkundigen op te
roepen, om door ruime bijdragen hunnerzijds, het kerkbestuur in staat te stellen de oude
Pastorie, en wie weet ook het Priesterkoor, op waardige wijze te herstellen, dan zal onze
dankbaarheid nog grooter zijn dan ze nu reeds is.

Den Haag, 1917. JAN STUYT.

■ - ' ~ = ■ ■ ■ -— = ■

□ BOEKAANKONDIGING. □

DIE ROMANISCHE PLASTIK IN DEN NORDLICHEN NIEDERLANDEN,

door P. fr. Raphael Ligtenberg O. F. M., Freiburg 1916.

Het schijnt wel, dat ik aangewezen ben bovengenoemd boekje te bespreken, waar
schrijver zelf getuigt, dat het de kantteekeningen bij mijn studie over de Noord-Neder-
landsche beeldhouwkunst waren, uitgewerkt en omgewerkt, welke ten slotte aan zijne
gedachten vorm gaven. Ik mag niet anders dan mij gevleid gevoelen, alhoewel de zeer
conscientieuse overwegingen waaraan Dr. Ligtenberg de overblijfselen van Romaansche
plastiek in ons land onderwerpt, nauwelijks iets te danken kunnen hebben aan hetgeen,
als aanloop tot mijne beschouwingen over eene latere periode, vluchtig werd behandeld.
Trouwens het zal den lezer spoedig blijken, dat mijne woorden hoogstens prikkelend
gewerkt hebben en slechts de twijfelachtige verdienste hadden, bij wijze van hypothese,
eene zelfde conclusie aan te geven, namelijk, dat er in de monumenten van de Romaansche
beeldhouwkunst van geen specifiek Noord-Nederlandschen stijl kan gesproken worden.
Overigens moet de zeer fijne stijlkritiek, de dateering, de iconographische interpretatie,
kortom eigenlijk alles, waardoor de hypothese tot aannemelijke stelligheid wordt gemaakt,

283
loading ...