Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Oudheidkundig jaarboek — 3. Ser. 1.1921

Page: 180
Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/oudheidkundig_jaarboek1921/0200
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
180

ARCHAEOLOGIE TEGENOVER HISTORIE,

het Albertusputje; onder Diederik I en Diederik II een klooster te Egmond; daar-
naast tijdelijk een kapel te Hallen.

Dr. Holwerda van zijn kant acht nog onder Diederik I steeds zijn groote kerk
aanwezig. „Reeds van de dagen der eerste Christenpredikers in deze streken, van
Willebrordus en de zijnen af, had die kerk hier gelegen”; ze lag er nog steeds
binnen ringmuur en gracht. Daarentegen een klooster te Egmond nog vóór de ver-
heffing van Adalbert’s overblijfselen, waar de non Wilfsit gehuisd zou hebben — de
gedachte is „niet erg gelukkig.” Immers „uit het feit, dat er in het verhaal van de
verheffing van het lijk van St. Adalbertus van een non sprake is, blijkt toch aller-
minst, dat het klooster, waartoe deze non behoorde, speciaal te Egmond moet hebben
gestaan. Waarom kan niet op deze wijze een non van elders juist de abdis geworden
zijn van een op haar instigatie nieuw gesticht klooster?” Zeker, dat kan, maar
het kan niet best, en wel hierom. Veel is er in dezen tijd, dat wij niet weten, maar
ik verbeeld mij toch, dat wij juist de kloosters uit de 10e eeuw vrij volledig kennen.
En als men nu de Klösterverzeichnisse achter Hauck’s Deutsche Kirchengeschichte
II en III even inziet, zal men bevinden, dat omstr. 925 binnen het heele uitgestrekte
bisdom Utrecht (behalve dan te Egmond) waarschijnlijk nog geen kloosters voor-
kwamen dan in Utrecht en Deventer. Vrouwenkloosters waren nog veel schaarscher
dan mannenkloosters en het dichtstbijzijnde nonnenklooster was toen vrij zeker dat
te Susteren aan de Maas, op meerdere dagreizen afstands van Egmond. En dit was
dan weer het eenige in een wijden omtrek. Het verhaal, hoe de non Wilfsit uit den
vreemde tot Diederik I kwam om hem te vertellen van haar droomgezichten, voorts
dat zij hem overhaalde om een klooster te stichten en daarover abdis werd; mij zou
dit een legende schijnen gefabriekt in de 20e eeuw.

Het bedoelde nonnenklooster zou gevestigd zijn te Hallen bij de houten
Adalbertskapel; Diederik II heeft deze in steen herbouwd. Hallen is hetzelfde als
Egmond. Deze laatste beweringen ontleent Dr. Holwerda ') aan Johannes van Leiden,
die ze tegen 1500 in zijn kroniek van Egmond als vrucht zijner geleerde nasporingen
gepresenteerd heeft. Over het gezag van dezen auteur op het punt der geschiedenis
van de 10e eeuw zal ik met Dr. Holwerda niet twisten * 2). Ik geef toe, iets is er wel
te zeggen voor de opvatting, dat de steenen abdijkerk de oudere kapel in zich
opgenomen heeft; maar gezegd is dit — voorzoover blijkt, buiten weten van Dr. Hol-
werda — verleden jaar door Dom Séjourné in diens even fijne als grondige studie over
het klooster van Diederik II 3). De Vitaschrijver echter heeft het ons dan niet gemak-
kelijk gemaakt door twee namen te geven, Egmunda en Hallen, aan eenzelfde plaats.

1) blz. LXVIII, LXX.

2) Ik verwonder mij er alleen over, dat hij na in het Chronicon Egmundanum en dan volgens
verwijzing van den auteur zelven in diens Chronicon Hollandiae te hebben doorgelezen, wat er staat over
Diederik I, den broeder van hertog Walengerus v. Aquitanie, den afstammeling van de Frankische koningen
en de Trojanen, en over de toenmalige burgeroorlogen in Holland, nog zoo rustig van vertrouwen gebleven is.

3) In diens Deux miniatures de 1’Evangéliaire d’Egmond (Bulletin v. d. Oudheidk. Bond XIII)
blz. 58 vlgg.
loading ...