20 BOUWGESCHIEDENIS DER St. JANSKERK TE ’s-HERTOGENBOSCH
Behalve dit zijn er nog enkele andere gegevens die den toestand in de
Romaansche, of overgangsperiode belichten. Ze zijn door geen schrijver ooit te
berde gebracht, wijl naar een onuitgesproken gevoelen, van het alleroudste kerk-
gebouw steen noch voeg gespaard is gebleven. Ik wil trachten, al het door mij
gevondene met niet te zeer falende redegeving in onderling verband te brengen, om
zoo iets nader te komen tot de bouwkundige kennis eener sinds 600 jaar verdwenen,
Plaat IX. Travées a en b, tegenwoordige Doopkapel; c. sporen van uitgebroken gewelfschelp;
d. plaats van een vermoedelijk bestaand hebbend draagsteentje; e. veronderstelde muur der
Romaansche kerk; f. schijnbaar vrij op die hoogte om-geloopen-hebbende torenhoek.
belangrijke stadskerk, die vroegtijdig reeds (+ 1280) voor de Gothiek het veld
moest ruimen.
Mijne reconstructie beoogt niet meer, dan grosso modo den romp van het gebouw
in beeld te brengen en laat zich bij gebrek aan overblijfsels niet met détailvormen
in. Zij omvat: I. De dwarsdoorsnede. II. De lengtedoorsnede. III.
Het terrein of „Atriu m”.
Behalve dit zijn er nog enkele andere gegevens die den toestand in de
Romaansche, of overgangsperiode belichten. Ze zijn door geen schrijver ooit te
berde gebracht, wijl naar een onuitgesproken gevoelen, van het alleroudste kerk-
gebouw steen noch voeg gespaard is gebleven. Ik wil trachten, al het door mij
gevondene met niet te zeer falende redegeving in onderling verband te brengen, om
zoo iets nader te komen tot de bouwkundige kennis eener sinds 600 jaar verdwenen,
Plaat IX. Travées a en b, tegenwoordige Doopkapel; c. sporen van uitgebroken gewelfschelp;
d. plaats van een vermoedelijk bestaand hebbend draagsteentje; e. veronderstelde muur der
Romaansche kerk; f. schijnbaar vrij op die hoogte om-geloopen-hebbende torenhoek.
belangrijke stadskerk, die vroegtijdig reeds (+ 1280) voor de Gothiek het veld
moest ruimen.
Mijne reconstructie beoogt niet meer, dan grosso modo den romp van het gebouw
in beeld te brengen en laat zich bij gebrek aan overblijfsels niet met détailvormen
in. Zij omvat: I. De dwarsdoorsnede. II. De lengtedoorsnede. III.
Het terrein of „Atriu m”.


