Van den Branden, Frans Jozef Peter
Geschiedenis der Antwerpsche schilderschool — Antwerpen, 1883

Page: 68
DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/vandenbranden1883/0080
License: Creative Commons - Attribution - ShareAlike Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
68

Matsijs ledenschilder

andere, en zoo beschikte de Meester over voldoende middelen,
om te arbeiden naar de inspraak van zijn harte. Hij wilde
derhalve een gansch nieuw vak der schilderkunst in het
leven roepen.

Trouwens het oude godsdienstige gevoel der middeleeu-
wen begon aanmerkelijk te verflauwen, en de wijze kunstenaar
voorzag, dat de tijd nabij was, waarop de bijbelsche onder-
werpen aan den smaak van het volk niet meer alleen zouden
voldoen.

De voortdurende toeneming des handels bracht weelde
en genot bij, maar tevens ook wulpschheid en zucht naar
woeker. Deze beide kwalen bedreigden het familieheil der
eenvoudige Antwerpsche bevolking, en Matsijs achtte zich
Verplicht er haar tegen te waarschuwen en te behoeden. Om
dat prijzenswaardig doel te bereiken, wilde hij van de eeuwen-
oude gewoonte afwijken en tafereeltjes malen, die niet meer in
Gods tempel, maar enkel in de burgerkamer op hunne plaats
zouden zijn. Aldus schiep hij de zedenschildering, een vak der
kunst, dat zoo verscheiden van aard als treffend van doel is,
en dat eeuwig onuitputtelijk zal blijven. Matsijs behandelde
het op twee manieren : luimig-hekelend en nijdig-geeselend.

In ons Antwerpsen museum prijkt, onder nummer 566,
een paneeltje als het werk eens onbekenden, dat nochtans
door Matsijs moet geschilderd zijn.

Wij bekennen, dat het niet in den gewonen trant zijner
penseeling gemaaid is ; maar onze schilders en kunstkenners
der xviie eeuw aarzelden toch geen oogenblik, om het een
gewrocht van Meester Matsijs te noemen.

Dit tafereel bevond zich, over ongeveer drie eeuwen, in
het bezit van Steven Wils, den Jonge, een en Antwerpse hen
loading ...