Van den Branden, Frans Jozef Peter
Geschiedenis der Antwerpsche schilderschool — Antwerpen, 1883

Page: 723
DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/vandenbranden1883/0735
License: Public Domain Mark Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
Van Dijck op reis naar Engeland

723

stonden aan tot de overzeesche reis. Hij deed Gerbier daarvan
kennis geven, en deze was dus genoodzaakt, op i3 Maart
i632, van Brussel aan zijnen Koning te schrijven : « Van
Dijck is hier, en doet zeggen dat hij besloten heeft naar En-
land te gaan. Hij beweert zeer slecht over mij voldaan te zijn,
daar de babbelaar Geldorp schijnt geschreven te hebben, dat
ik bevel had den gezegden van Dijck namens Uwe Majesteit
te spreken en ik dit geheim hield. Uwe Majesteit heeft
het mij aldus opgelegd, daar ik er niemand rekenschap van
te geven had, hetgeen ik ook beweer. »

Om zich in te schepen toog Antoon naar Noord-Neder-
land. Volgens de overlevering, en tevens naar het schrijven
van den Hollandschen schilder Arnold Houbraken, die van
1660 tot 1719 leefde, besloot van Dijck bij dezen doortocht
een bezoek te brengen aan zijnen kunstmakker en landge-
noot Frans Hals, dien hij alom als den vaardigsten der por-
tretschilders hoorde roemen. Hij steeg in de trekschuit en
voer naar Haarlem. Daar de beide vermaarde portretschil-
ders elkaar noch in beeltenis, noch in levenden lijve ooit
gezien hadden, zoo erkenden zij zich ook niet bij die
eerste ontmoeting. Toen de losse en zorgelooze Hals dien
hupschen jonker met gepluimden hoed, fluweelen mantel,
kanten kraag en omgeslagen lobben op het satijnen wambuis,
de handen trotsch in handschoenen en de zijden hozen in ge-
spoorde slodderlaarzen, zijn nederig werkhuis zag binnentre-
den, was hij als gansch onthutst. Met de muts in de hand
vroeg hij, aan welke reden hij de eer van zulk een voor-
naam bezoek verschuldigd was. Van Dijck, zonder zich te
doen kennen, vroeg of hij die Hals was, welke zoo puik als
vlug een portret kon malen. De Haarlemsche schilder boog,
loading ...