Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 11.1918

Page: 230
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1918/0240
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
□ OFFICIEELE BERICHTEN. □

De Commissie, aan welke de samenstelling was opgedragen van een aan de
regeering uit te brengen rapport aangaande de voorbereiding eener internationale conferentie
ter vrijwaring der monumenten tegen oorlogsgevaar (zie Bulletin 1918, blz. 101), heeft
het resultaat van haar arbeid in den vorm van een ontwerp—questionnaire bij het bestuur
ingezonden. De commissie was n.1. van oordeel, dat bij de onvoldoende kennis omtrent
de werking van de Haagsche verdragsbepalingen in den tegenwoordigen oorlog, allereerst
een juist inzicht in die practijk dient te worden gewonnen, en dat daarom voorloopig
maatregelen ter verbetering slechts vragenderwijs kunnen worden geopperd. Bij de vragenlijst
werd een toelichting gevoegd. Met de redactie dezer beide stukken belastte zich het lid
der commissie, prof. van Eysinga.

Bij schrijven van 31 Oct. j.1. heeft het bestuur de vragenlijst en de toelichting aan
Z. E. den Minister van Buitenlandsche Zaken aangeboden. Het sprak hierbij de hoop
uit, dat Z. E. de stukken in dezen, of althans zich erbij aansluitenden vorm, ter kennis
van de andere regeeringen mocht brengen. Was het in het voorjaar nog van meening,
dat de beoogde conferentie zich tot de neutrale staten zou hebben te beperken, de snelle
ontwikkeling der wereldgebeurtenissen nadien, welke een spoedig einde van den oorlog
waarschijnlijk maakte, deed het bestuur schromen ten dezen een oordeel uit te spreken;
het meende geen advies te moeten geven over de vraag, welke staten uitgenoodigd
dienen te worden.

Ten slotte verzocht het bestuur van Z. E. de vrijheid vragenlijst en toelichting te
zijner tijd in het Bulletin openbaar te maken.

De Secretaris van den N. O. B.

E. J. HASLINGHUIS.

KOORSLUITINGEN.

I.

Des Körpers Form ist seines Wesens Spiegel.

(Goethe).

Onder koorsluiting verstaan wij hier dat gedeelte van de bouw-constructie eener
kerk, hetwelk tot doel heeft de ruimte eener beuk aan haar einde af te sluiten. Elke
ruimere beteekenis, die men somwijlen aan dat woord toekent, bij aanwezigheid b. v.
van een kooromgang of van een kapellenkrans, blijft buiten beschouwing. Wel zal een
kooromgang of een kapellenkrans den vorm der koorsluiting beïnvloed kunnen hebben
en daardoor afwijkingen van den normalen vorm hebben veroorzaakt. Doch deze
afwijkingen zijn in het algemeen slechts gering en veranderen het karakter en het wezen
der koorsluiting niet merkbaar. Verder bepalen wij ons tot overwelfde koorsluitingen.

De beuk eener kerk, hetzij hoofd- of nevenbeuk, is eene in de lengte uitgestrekte
ruimte. De koorsluiting moet deze ruimte doen eindigen, begrenzen. Zij moet dus geven

230
loading ...