Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 5.1912

Page: 139
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1912/0151
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
grootte!) en wij herkennen ook daar weder de trekken van den ouden zeerob, een beetje
hulpeloozer, zooals dat gaat als men ouder wordt, maar toch nog met zijne ridderorde
en zijn geslachtswapen. En moeder De Ruyter tegenover hem is met haar parelsnoer en
haar waaier dan ook een beetje veranderd; zij is even gezet, maar de leeftijd heeft haar, de
flinke matrone, wat gebogen, en zij ziet er nu wel eerwaardiger en aantrekkelijker uit.

Alleen bij groote uitzondering (ik vermoed dat het op bestelling van anderen
was) heeft de held geposeerd voor deftige modeschilders, zooals Ferdinand Bol, die aan
zijne eerlijke zeemanstronie een cachet wist te geven van heldhaftige voornaamheid, en
die ook kans heeft gezien, om zijn zoon Engel om te tooveren in een heuschen jonker
met een gedistingeerd en innemend uiterlijk. Maar dat was inderdaad toch heel niet echt:
Engel de Ruyter heeft zich later op zijn buiten aan de Vecht wel wat voornaam ingericht,
en hij heeft zich toen zelfs de weelde veroorloofd, om zich te doen portretteeren in het
kostuum van een Romeinschen held, met een pruik op en met een helm met vederbos.
Maar dat is hem ook slecht bekomen; want zijne flinke, maar burgerlijke, door de zee-
lucht roodbruin getinte facie ziet ons in die vermomming toch wel heel zonderling aan.
Niet ieder verstond als Ferdinand Bol de kunst, om zijne modellen te flatteeren zonder
aan de gelijkenis al te veel afbreuk te doen: het zal den handigen artist geene wind-
eieren hebben gelegd 1)!

Ziehier mijne indrukken van het familieportret der De Ruyter’s. Maar voor deze
ontboezeming zou ik toch geene gastvrijheid gevraagd hebben in het Bulletin van den
Oudheidkundigen Bond, indien ik niet nog wat anders te zeggen had. Het is dit: de
heer Van Riemsdijk heeft ons in een bijschrift in het verslag der vereeniging Rembrandt
de personen op het familiestuk allen verklaard; maar ik geloof, dat hij in deze verklaring
niet gelukkig is geweest. Hij volgt daarbij de verklaringen van den heer De Balbian
Verster (in het nummer van »Eigen Haard” van 29 Juni 1. 1.), die wij, daar ze eenigszins
toegelicht zijn, kunnen controleeren. Welnu, die verklaringen houd ik voor onjuist. Het
spreekt, dunkt mij, van zelf, dat de hoofdgroepeering van de schilderij deze was, dat
tegenover de gemakkelijk gezeten ouders stond het éémge andere echtpaar in de familie :
Cornelia de Ruyter met haren echtgenoot Jan de Witte. Deze positie schijnt natuurlijk
en zij komt ook op andere dergelijke familiegroepen voor; maar zij wordt hier nog be-
vestigd door de omstandigheid, dat het zoontje van het paar, Cornelis de Witte, voor
hen geplaatst is en zoo door hen aan de grootouders wordt voorgesteld. Het meisje in
het midden, minder voornaam maar jeugdiger en zwieriger getoiletteerd, is dan natuurlijk de
tweede dochter Alida. De heer De Balbian Verster weet »voor de (gewaande) afwezigheid van
De Ruyter’s eenigen schoonzoon De Witte eene verklaring te vinden”, — heel eenvoudig:
»hij is bij het vervaardigen van het schilderij waarschijnlijk buitenslands geweest en heeft
dus niet kunnen poseeren.” Dit is inderdaad vernuftig; maar ik weet toch voor de

1) Zie de hier en verder besproken portretten van de leden der familie De Ruyter gereproduceerd
in »Eigen Haard”, 1907 p. 164, 183, 185, 187 en 1912 p. 40, 41, 409.

10

139
loading ...