Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 5.1912

Page: 175
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1912/0187
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
vast staat, dan wel vermoed wordt, dat zij van beteekenis zijn uit een oogpunt van
geschiedenis of kunst. Tevens ware daarbij zooveel mogelijk te vermelden, wat omtrent
de geschiedenis van het betreffende bouwwerk bekend is; en zal voorts de bijvoeging van
beschrijvingen, teekeningen of fotografieën der betreffende bouwwerken van veel waarde
zijn. Hetzelfde geldt ten aanzien van kerkgebouwen en dergelijke, waarvoor op een of
andere wijze subsidie uit ’s Lands kas wordt genoten.

Aangezien vele der gebouwen, dateerend uit den tijd der Oost-Indische Compagnie,
in handen zijn van particulieren, is overeenkomstig eene daartoe ontvangen opdracht der
Regeering een gelijksoortig verzoek door mij gericht tot de particuliere architecten en
aannemers hier te lande.

Ook de medewerking van de ambtenaren van het rooiwezen kan in deze van veel
waarde zijn, en ik geef u derhalve in overweging de hoofden van plaatselijk bestuur in
uw gewest te verzoeken deze ambtenaren uit te noodigen hun aandacht te willen vestigen
op de bedoelde gebouwen en monumenten, en, zoodra een verzoek om vergunning tot
afbraak of tot verbouwing van zoodanig bouwwerk hen mocht bereiken, mij daarvan
rechtstreeks mededeeling te willen doen, zoo mogelijk met eene beschrijving en teekening
of fotografie van het bouwwerk.

INGEZONDEN.

In het laatst verschenen nummer van dit »Bulletin” heeft de redactie een fragment
uit een schrijven van den heer Bijleveld geplaatst, dat gericht was tegen mijn stukje over
het altaarstuk van Cornelis Engebrechtsz. in een vorig nummer. Waar de redactie indertijd
den heer Overvoorde gelegenheid gegeven heeft, onmiddellijk op mijn stukje te antwoorden,
is het zeker bevreemdend, dat mij de gelegenheid niet gegeven is, dit fragment-schrijven
van den heer Bijleveld in hetzelfde nummer van mijn opmerkingen te voorzien. Zeer
belangrijk zouden die evenwel niet hebben kunnen zijn. Ik zal steeds dankbaar erkennen,
dat de heer Bijleveld mij evenals zeer vele anderen gedurende vele jaren tal van adressen
schriftelijk zoowel als mondeling heeft medegedeeld, waar ik met minder of meer waar-
schijnlijkheid, geschilderde oude portretten zou aantreffen, en daar zal Offem ook wel bij
geweest zijn. Maar de onmiddelijke aanleiding voor mij, daar een bezoek te brengen, is
geweest een veronderstelling, die ik gemaakt had door de bestudeering van den inventaris-
Wittenhorst. Over het feit, dat de heer Bijleveld alles vergeten is, wat ik hem naar aan-
leiding van mijn bevinding op Offem verteld heb, kan ik alleen mijn verwondering uitdrukken.

Maar deze aangelegenheid heeft te weinig belang voor het publiek, om er langer
bij stil te blijven staan. Interessanter lijkt mij de stelling van den heer Bijleveld, dat men,
ter onderscheiding van andere takken der familie Wittenhorst, alle broeders van den
heer van Sonsfeld eveneens met dien naam mag aanduiden. Evenzoo mag dus b.v. ter
onderscheiding van de Nassau-Weilburg’s Jan de Oude een Oranje-Nassau genoemd
worden. Ten slotte moet ik den heer Bijleveld nog den raad geven, de familie, waar-

175
loading ...