Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 5.1912

Page: 140
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1912/0152
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
afwezigheid van Alida’s verloofde, den heer Schorer, twee nóg aannemelijker redenen aan
te voeren. Zij is waarschijnlijk, toen de schilderij gemaakt werd, nog geheel niet verloofd
geweest: eerst een jaar later toch is zij getrouwd. Men was ook (voorzichtigheidshalve!)
niet gewoon, verloofden op te nemen in dergelijke familietafereelen. — Ook bij de
bepaling van de beide jongens achter de grootouders schijnt mij de heer De Balbian Verster
niet gelukkig te zijn geweest. Zelfs al geleek Jan van Gelder (wiens burgerlijke figuur
wij kunnen zien op de schilderij van Lievens in het Rijksmuseum) niet zoo bijzonder
op zijne moeder, dan toch zouden wij wel hebben kunnen begrijpen, dat zij en haar
echtgenoot op het plechtige oogenblik, dat zij zich samen lieten vereeuwigen op het doek,
liever zullen verkozen hebben, hunne eigene zonen bij zich te hebben dan hunne stief-
zonen. — Het groepje op den voorgrond is duidelijk: het eenige kleinkind in de familie
wordt door zijne beide jonge tantes naar de grootouders geleid. Het zijn de beide
meisjes uit De Ruyter’s derde huwelijk: de jong gestorven Anna en Margaretha, die
de echtgenoote zou worden van Ds. Somer en die wij nog als volwassene herkennen
(in het wit satijn met een parelsnoer !) op eene schilderij bij den heer Elias, waarop de
dolfijn ditmaal, zeer wel tersnede, een liefdegodje draagt.

Zoo is de nieuw verkregen schilderij, naar het mij voorkomt, verklaard: de groep
schijnt nu veel duidelijker. De aankoop der schilderij scheen mij belangrijk genoeg, om
voor die juistere verklaring hier eene plaats te vragen.

S. MULLER Fz.

ia _-■ _ —= ■ ■ ■ "^= ■

DE SCHILDERKUNST IN DE NEDERLANDSCHE MONUMENTEN VAN

GESCHIEDENIS EN KUNST.

Neêrlands glorie is de schilderkunst. Zonder gevaar voor tegenspraak kan men
zeggen, dat hare beteekenis verre opweegt tegen die van alle andere beeldende kunsten te
samen. Wij zouden weinig of geen plaats innemen in het boek der wereldgeschiedenis der
beeldende kunsten, indien wij niet onze schilderkunst en daarmede nauwverbonden de
prentkunst gehad hadden.

Ik betwist in geenen deele het plaatselijk belang der overige kunsten. Ik wil niet
het minste aan hunne geschiedkundige waarde voor ons eigen volk te kort doen. Maar toch
meen ik voor de schilderkunst een eerste plaats te mogen vragen, waar het de beschrijving
der Nederlandsche monumenten van kunst betreft. Wat moet een buitenstaander denken,
indien hij ziet, dat de Nederlander zich als een der laatsten onder de beschaafde volkeren
Europa’s opmaakt, de gedenkteekenen zijner kunst te beschrijven, en dat de schilderkunst
daarbij in ’t gedrang raakt? Moet hij niet denken: al dat andere, die beschrijving van
bouw en beeldhouwkunst, van kunstnijverheid en wat dies meer zij, hoe voortreffelijk,
hoe gewichtig en hoe belangwekkend ook, gaf ik U gaarne ten geschenke, indien ik
slechts van U kreeg wat de wereld belang inboezemt, de nauwkeurige beschrijving Uwer
schilderkunst.

140
loading ...