Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 5.1912

Page: 143
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1912/0155
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
als het volledige materiaal binnen onze grenzen. En juist omdat onze bouwkunst zoo
volkomen is verwaarloosd, ook door de jongere kunsthistorici, die in de geschiedenis
onzer schilderkunst zoo voortreffelijk hebben gewerkt, juist daarom heeft de monumenten-
beschrijving aan de bouwkunst — de kunst trouwens, die, om hare sociale beteekenis,
voor de beschaving van een volk heel wat belangrijker is dan de schilderkunst — al hare
aandacht te wijden. Voor de kunstnijverheid geldt ongeveer hetzelfde.

De monumentenbeschrijving zou dus een wetenschappelijk volkomen verantwoord
en zeer belangrijk werk verrichten — ook al het zij onze schilderkunst geheel ter zijde.

Na dit principieel verweer, kan ik Dr. Hofstede de Groot grif toestemmen, dat
de Nederlandsche monumentenbeschrijving, nu zij de schilderkunst niet heeft buitengesloten,
er slechts bij zou winnen, indien een geconfijt schilderijenkenner mede in haren dienst kon
worden gesteld — al wil ik hiermede niet zeggen, dat de opmerkingen van mijnen criticus
mij alle even overtuigend lijken.

Ten aanzien der levensjaren van Jan de Bisschop en de betiteling der schilderij te
Rijsbergen geef ik hem gaarne gelijk. Zijne verwijzing naar Honthorst kan ik niet con-
troleeren, maar zij is een te toevallige wetenschap, dan dat zij voor zijn betoog veel
zou beteekenen.

Voor het portret van Willem »III” geloof ik, dat de verwijzing in den tekst naar
het origineel en naar eenen catalogus, die den voorgestelde goed benoemt, den belang-
stellende voldoende op weg helpt, terwijl ik in het algemeen het vaststellen der identiteit
van op portretten voorgestelde personen een onderwerp acht, waarmede de monumenten-
beschrijving zich zoo min mogelijk heeft in te laten, daar het al te dikwijls — als in
Breda voor de portretten der Van Bergen’s — uitvoerige dissertaties zou vorderen.

Met zijn hoogdravend college naar aanleiding der »teekening van 1630” slaat
Dr. de Groot toch waarlijk al te ver door. Die teekening draagt het jaartal 1630, en het
tertium, dat volgens den criticus ontbreekt, is dit, dat zij een in voordracht gemoderniseerde,
latere copie is naar een origineel uit 1630, zoodat zij, gegeven als illustratie van den
toestand der Bredasche kerk in ouden tijd, niet anders mocht worden aangehaald dan als
dagteekenend uit 1630 niet naar den aard van hare artistieke opvatting, maar als document
voor de geschiedenis van het aspect der kerk, moest zij worden gekenschetst.

Ook de opmerking over den maker der teekeningen van het kasteel te Breda kan
ik niet beamen. Er is voor een »vermoedelijk” bij de toeschrijving aan josua de Grave
alle reden, omdat Clotz teekeningen gemaakt heeft, die, zelfs in de wijze van plaatsing
en het karakter van het handschrift, van het werk van De Grave niet te onderscheiden
zijn. Hoe ongegrond de critiek op mijne »voorzichtigheid” ten dezen is, moge daaruit
blijken, dat een zoo voortreffelijk kenner onzer oude architectuur-teekenaars, als Victor
de Stuers, de bedoelde teekeningen niet aan De Grave doch aan Clotz wilde toeschrijven!

Toch, ik herhaal het, al kan ik mij niet met al zijne opmerkingen vereenigen, ben
ik met Dr. Hofstede de Groot van meening, dat de schilderkunst wel eenig gevaar loopt
bij onze monumentenbeschrijving te kort te komen. Zelf heb ik mij nimmer als kenner

143
loading ...