Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 1.1908

Page: 228
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1908/0243
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
zin van het woord — geen sprake kan zijn. Het poortje — dat steeds een muurpoortje is
geweest, zonder aan eenig gebouw verbonden te zijn — wordt aan de achterzijde gesteund door
een paar beeren. Van deze was de voet in verloop van tijd afgebrokkeld. Tengevolge der
verzakking was de boog, vooral de baksteenen boog aan den achterkant, niet meer gesloten,
zoodat hij ieder oogenblik naar beneden kon komen.

Eindelijk stond het fragment, geheel van zijn oorspronkelijke afdekking beroofd,
in erge mate bloot aan inwatering. De bevestigingswerken hebben dan ook in hoofdzaak
bestaan in het inmetselen van een nieuwen voet onder de beeren, het volmetselen van
den boog, het aanvullen van de gapingen tusschen de zandsteenen claveaux, en het afdekken
van het bovengedeelte met plavuizen. Een en ander is op kosten der Prov. Zuidh. Arch.
Comm. geschied, volgens de aanwijzing van haar lid, den heer J. A. Frederiks, onder
toezicht van den gemeente-architect van Den Briel, den heer H. Goossens, aan wien een
woord van dank moge worden gebracht voor zijne welwillende bemoeiing. Het poortje
is nu voor invallen behoed — méér viel er voor een verstandige monumentenzorg niet
te verrichten, J. K.

SINT PIETERSKERK TE LEIDEN.

Bij de restauratiewerken voor de Sint Pieterskerk te Leiden werd eene ontdekking
gedaan, die het bewijs levert voor een reeds vroeger door den Heer Adr. Mulder en
later ook door mij geopperd vermoeden. Gelijk bekend is werden de transeptarmen der
kerk eerst slechts gedeeltelijk opgetrokken en werden deze later verhoogd. De bovenmuur
van het schip moet dus eerst hebben doorgeloopen tot aan het koor, en daar er geen
spoor van een grooten boog aanwezig is, was het vermoeden gerechtvaardigd, dat zich,
vóór het optrekken van het transept, in het midden tusschen de hoekkolom van het schip
en die van het koor een kolom bevonden heeft, die door twee bogen met schip en koor
verbonden was en aldus den later uitgebroken bovenmuur hielp dragen. Dit vermoeden,
waarvoor verschillende aanwijzingen aanwezig waren, is thans bevestigd door het terugvinden
van den aanzet van een boog in den bovenmuur van het schip. Deze boog heeft, blijkens
het in het metselwerk teruggevonden fragment, geheel dezelfde welving en ook hetzelfde
profiel als de bogen van het schip, in welks verlengde het boogfragment ligt. Wanneer
men den boog doortrekt, komt men juist op het punt, waar, vóór het optrekken van de
transeptarmen, een kolom werd vermoed. In den grond werd ook de fundeering hiervan
teruggevonden. Na het optrekken van de transeptarmen heeft men dus blijkbaar bij het
wegbreken van de kolom en het gedeelte van den bovenmuur, dien muur afgekapt bij
den aanzet van den boog en dezen, zoover die niet buiten dien muur uitstak, laten staan
en door eenvoudig toegestopt metselwerk aan het oog onttrokken.

De heer W. C. Mulder, die de restauratiewerken leidt, is voornemens om het
teruggevonden boogfragment zichtbaar te laten als herinnering aan den ouden toestand.

228
loading ...