Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 1.1908

Page: 195
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1908/0210
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
r

^ □ □ □ □ JF

kJ



c



1



c



E



^ □ o o □ ^

A □ □ □ □ ^

4

i




AANWINSTEN RIJKSMUSEUM VAN SCHILDERIJEN TE AMSTERDAM.

Van de veiling Lemker-Muller te Kampen afkomstig, zijn de volgende aanwinsten
voor het Rijksmuseum te vermelden.

Van Roelandt Roghman twee landschappen — boschgezichten — en beide gemerkt.
De doeken verkeerden in een wel wat onrustbarend donkeren staat. De overwichtige
boomgevaarten heten zich aanzien als dof-zwarte plakkaten, partijen al te grof in ’t massale
aangeduid. Na restauratie echter is er meer speling gekomen in die zwaarheid van toon,
vooral ook de opheldering van partijen te midden van duistere boschdiepten heeft de
werking van het geheel treffender gemaakt en menig détail tot zijn kernachtige uitdrukking
teruggebracht. Er zijn daar kwaliteiten, treffend om hun eenigzins modern karakter, die zelfs
even aan Rousseau doen denken. Zeker is het, dat ook in deze schilderijen Roghman ons ver-
schijnt als een schilder om de romantische neigingen in zijn landschap, zeer merkwaardig voor
zijn tijd. Een schilder — de vriend van Rembrandt, wellicht ook van Hercules Seghers —
met ontegenzeggelijk een tekort aan die eigenschappen, onontbeerlijk aan het volle meester-
schap : — kleur is dikwijls groezelig, teekening plomp, factuur log ; maar met dit al, of ondanks
dit, toch bij machte ons te imponeeren door naar het grootsche doelende landschap-scheppingen.
Zooals Houbraken zei: »hij bragt een goede houding in zijn werk, maar schilderde rauw,
en wat te veel gebraden, of getaant”. Overigens toont zich wel de hoogheid van zijn
kunstenaarsaard uit het gezegde, tijdens zijn ouderdom dikwijls herhaald : »Als men de dingen
komt te weten is men versleten”. Welke elementen waren er in de geestelijke gesteldheid
van dezen mensch ontbrekend of onvoldoende ontwikkeld, dat hij niet is uitgegroeid tot
een eerste-rangs kunstenaar, waartoe zijn geest toch wel was op aangericht.

Van Kmbbergen een panorama-landschap (voluit gemerkt), dat’t meest te waardeeren
is, als aanvulling van het documenten-materiaal in ’t Rijksmuseum. In zijn »gallerie-toon”
pakt het stuk wel op het eerste gezicht, maar bij iets doordringender aanzien blijkt het in
zijn voordeeligen goudtoon te veel een behagelijk uiterlijk, losjes van bouw, poover van
atmosferische uitdrukking. Het werk van een snelschilder, — om welke kwaliteit Knibbergen
vermaard moet zijn geweest — die hier proef gaf van zijn vaardigheid in het schilderen
van gezichten in vogelvlucht. Misschien, als het stuk aanmerkelijk kleiner ware, het beter
te genieten zou zijn. Nu kan het in de collectie dienst doen als repoussoir voor Van Goyen.
En dit is ook een voordeel!

Het stilleven van Jan van de Velde was niet zoo direkt noodig om een leemte in de

13

195
loading ...