Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 1.1908

Page: 33
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1908/0047
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
De 16e-eeuwsche fragmenten, boven den ribbenbundel aan het daglicht gebracht,
stellen het volgende voor :

N°. 1 een ridder met borstharnas; een pofbroek dekt het bovengedeelte van het
been, terwijl het benedengedeelte van eene spannende beenbekleeding voorzien is. De borst-
plaat is staalkleurig, de broek groen van kleur. Aan het hoofd zijn duidelijk waar te nemen
eene kuif in het haar en een puntbaard aan de kin. De ridderfiguur is 43 c.M. hoog en
geplaatst op een 12 c.M. zwaar, okerkleurig voetstuk, dat in een spitstoeloopend, groenachtig
ornament eindigt, waarop zeer duidelijk is geschilderd een grijs ezeltje ter grootte van 7 c.M.

N°. 2 is zeer beschadigd en bestaat slechts uit eenige omtreklijnen van ornamenten,
waarin een kopje van 7 c.M. grootte, eveneens in omtreklijnen geteekend, nog zeer goed
te zien is.

N°. 3 stelt eenige ornamenten voor, die slordig verdeeld zijn, daar enkele deelen
van de teekening slechts voor de helft konden worden weergegeven. Aan de onderzijde
daarvan komen twee stukken voor, die men voor dieren zou kunnen aanzien.

N°. 4 is eene teekening op het gewelfsveld, dat naar het schip der kerk is gericht.
In deze partij, eveneens zeer beschadigd, is slechts te onderscheiden een gedeelte van eene
naakte vrouwenfiguur, bijna op ware grootte geschilderd, waarboven is aangebracht de
afbeelding van een mansfiguurtje, ter grootte van 15 c.M., in eene houding alsof het uit de
aarde opstijgt. Mogelijk is dit fragment eene gedeeltelijke af beelding van het laatste oordeel!

Hoewel dit schilderwerk uit de 16e eeuw zoowel wegens zijn geringen omvang,
als om de zwakke voorstelling en de ernstige beschadiging, die het heeft ondergaan, van
geringe beteekenis is, zijn toch de pogingen, voor deszelfs behoud in het werk gesteld,
met gunstigen uitslag bekroond.

’s-Gravenhage, December 1907. AD. MULDER.

EEN SCHILDERIJ VAN WILLEM VAN HAECHT IN HET MAURITSHUIS.

De bekende Antwerpsche Maecenas, de koopman Cornelis van der Geest, wiens
geestigen kop, door Anton van Dyck geschilderd, men in de National Gallery te Londen
kan bewonderen, bewoonde in de Scheldestad een groot huis, »de Keizer” genaamd,
gelegen in de Mattenstraat naast het Reuzenhuis. Het zag uit op de Schelde. In dit huis
had hij een groote kunstverzameling bijeengebracht, die niet alleen werken van de toen-
malige »moderne” meesters bevatte, maar ook oud-Vlaamsche en Italiaansche kunst. Vooral
van Quinten Massys was van der Geest een groot vereerder.

Tot bewaker en verzorger dier schatten stelde hij den schilder Willem van Haecht

33
loading ...