Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 1.1908

Page: 75
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1908/0089
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
HET GEBRANDSCHILDERDE VENSTER NUMMER TIEN IN DE
GROOTE KERK TE GOUDA

Het is bekend, dat het gebrandschilderde venster, dat in 1559 door Heer Dirk
Spiering van Well, abt der Premonstratenser abdij Bern bij Heusden, aan de herrezen
St. Janskerk te Gouda werd geschonken, in het midden der 17de eeuw door een zwaar
onweder ernstig beschadigd werd. Kerkmeesteren droegen toen, in 1655, aan Daniël Tomberg
op, het te herstellen. Blijkbaar is deze herstelling veeleer eene algeheele vernieuwing
geweest. Van het oorspronkelijke glas, waarvan de schilder onbekend is, is vermoedelijk
geen stuk meer over, en toen enkele jaren geleden het venster opnieuw moest worden
hersteld, is zelfs tevergeefs naar eene afbeelding van dat oorspronkelijke glas gezocht.

Wat de bovenhelft van het venster betreft, wist men, dat het tafereel, de boodschap
van den engel Gabriël aan de H. Maagd, hetzelfde was gebleven; doch dat de voor-
stelling daarvan door Tomberg belangrijk van de oorspronkelijke afweek, schijnt aan
twijfel nauwelijks onderhevig.

Vast stond ook, dat de benedenhelft eene volkomen verandering had ondergaan.
Tomberg heeft daarin de wapens geschilderd van de kerkmeesters, die hem het vernieuwen
van het glas hadden opgedragen. Hij voegde daaraan toe een achtregelig, van weinig
dichterlijken aanleg getuigend vers, geplaatst in een cartouche en omgeven door een viertal
wapenschilden, n.1. die van den stichter der abdij van Bern, van den abt Spiering, van
de provincie Holland en van de stad Gouda.

Bij de jongste restauratie, welke overigens den heer Schouten alle eer aandoet, heeft
men de eerste twee wapenschilden doen vervallen en daarvoor vlinders in de plaats gesteld.
Wat hiertoe de aanleiding is geweest, is mij niet bekend. Mogelijk heeft de overweging
gegolden, dat het wapen van den stichter der abdij bezwaarlijk als authentiek kon
worden aangemerkt.

Doch wat ook van deze, naar het mij voorkomt vrij willekeurige, wijziging van
het eeuwenoude venster de oorzaak zij geweest, het is in elk geval te betreuren, dat
dientengevolge elke persoonlijke herinnering aan den oorspronkelijken schenker is ver-
vallen. Hierin schijnt mij niet alleen een gebrek aan piëteit, maar ook iets irrationeels te
liggen. De menschelijke ijdelheid brengt nu eenmaal mede — en in vroegere eeuwen was
het niet anders —, dat de schenkers van dergelijke vensters deze tevens dienstbaar maken
aan het doen voortleven van de herinnering aan hun persoon. De overige Goudsche glazen
bevestigen dezen regel en men kan vrij stellig aannemen, dat de benedenhelft van venster
no. 10 oorspronkelijk wel den abt in knielende houding zal hebben te aanschouwen
gegeven, met zijn patroon of eenige andere godsdienstige voorstelling. Intusschen, nu van
de oorspronkelijke voorstelling geen afbeelding bestaat, kon men bij de restauratie moeilijk
anders doen dan eenvoudig het bestaande glas herstellen door de ruiten voor zooveel
noodig te vernieuwen zonder in de voorstelling wijziging te brengen. Ik laat nu daar, in
hoever het in eenig bijzonder geval aanbeveling kan verdienen van dezen laatsten regel

75
loading ...