Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 1.1908

Page: 77
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1908/0091
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
in 1500 was Dirk Spiering nog niet geboren. Het schijnt zelfs niet geheel zeker, of hij
ooit onder de zerk is begraven. In 1579 werd de abdij verbrand en namen de inwonende
geestelijken de wijk naar Culenborg, waar hun abt, de schenker van het Goudsche glas,
op 21 Juni 1584 overleed. Nog gedurende eenige jaren hebben zij daarna, in het laatst der
zestiende eeuw, weder hun intrek in de oude abdij genomen. Misschien is toen Spiering’s
gebeente door hen medegevoerd, doch in elk geval schijnt de ongunst der tijden verhinderd
te hebben, dat op den nog bij zijn leven bewerkten grafsteen de dagteekening van zijn
overlijden werd ingevuld.

Voor het glas te Gouda is de grafsteen van belang, omdat hieruit mag worden afgeleid,
dat de kwartierwapens bij Gouthoeven niet volkomen juist zijn. Des abts grootmoeder
van vaderszijde was geene van Haeften maar eene de Cock van Delwijnen ; het wapen is
geheel gelijk aan dat van Haeften, behalve dat de plaats van den barensteel in het schildhoofd
wordt ingenomen door een zespuntige ster. Mogelijk heeft aan Gouthoeven eene onduidelijke
afteekening ten dienste gestaan. Op de wapens afgaande heeft hij er toen de namen onder-
geschreven; niet alleen moet voor Haeften de Cock van Delwijnen worden gelezen, doch
ook de naam Hedichuysen is vermoedelijk niet juist en zal wel Ghent moeten luiden, welk
geslacht eveneens een gouden wiel in blauw voerde.

Den Haag. BEELAERTS VAN BLOKLAND.

HET WERK DER COMMISSIE IN NEDERLANDSCH-INDIË VOOR OUDHEID-
KUNDIG ONDERZOEK OP JAVA EN MADOERA.

II.

HET TEMPELONDERZOEK OP OOST-JAVA.

Het Kala-makara-ornament op de muren der Chineesche klèntèngs. Aan het speurend
oog van Dr. Brandes ontging op zijn onderzoekingstocht, die een ontdekkingstocht genoemd
mag worden, het meest verborgene, dat voor zijn doel belang had, niet. Op de in duister
gehulde muren der Chineesche klèntèng (= tempel) te Malang deed hij eene nieuwe ont-
dekking. De zeer belangrijke uitkomsten van zijn bezoek aan dien tempel legt de geleerde
vast in een met geestdrift en warm kunstgevoel geschreven opstel. (Zie rapport 1903,
bl. 28 enz.). Wij zullen den enthousiasten bezoeker zelf hier en daar aan het woord laten
en dit door aanhalingsteekens te kennen geven.

Het bleek Dr. B. al spoedig, dat het bekende Hindoe-ornament, de Kala- of leeuwen-
kop door makara’s (zee-olifanten) geflankeerd, op de muren dezer klèntèngs in eindelooze
variatie’s voorkomt. Men moet hier in het oog houden, dat de Chineezen reeds in de
vroegste Hindoe-periode betrekkingen met Java hebben gehad, dat de Chineesche kunst
op de Oost-Javaansche zeer beslist en sterk heeft ingewerkt en dat eene omgekeerde

77
loading ...