Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 1.1908

Page: 58
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1908/0072
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
r

V1

k



1



1





V

k



1



1





r






kl

Ik-

A ° ° ° ° k

| o □ □ □

A

DE TECHNIEK VAN VERMEER IN »EEN MEYD DIE MELK UYTGIET”.

Naar aanleiding van het artikel van Prof. Six, in N°. 1 van het »Bulletin” onder
bovenstaanden titel verschenen, zij het mij vergund hier eenige opmerkingen te maken.

Het is ongetwijfeld een prijzenswaardige daad, anderen voor te lichten met ontdek-
kingen op een gebied, waarop onkunde en wanbegrippen maar al te welig wortel hebben
geschoten. Wij mogen echter verwachten, dat die ontdekkingen, waar zij een gedeelte van het
mysterie, dat de techniek der 17de eeuwsche schilderkunst heet, tot klaarheid moeten brengen,
ook op logische theorieën en juiste waarnemingen berusten.

Tot mijn leedwezen is dat echter niet het geval.

Wij zijn het er natuurlijk over eens, dat de in verhouding tot de moderne schilder-
techniek meer methodische werkwijze der 17de eeuwers in het algemeen een veelvuldig
gebruik van glaceeringen als vanzelf medebracht. Trouwens tal van voorbeelden kunnen
dit bevestigen. Prof. Six nu is o.m. van meening, dat de olie voor die glaceerende schilders
soms een te taai en niet vloeibaar genoeg bindmiddel voor hunne lasuren is geweest en zij
daarom gebruik maakten van de een of andere vernis. :) Het is jammer, dat Prof. Six bij dit
belangrijke punt niet wat langer heeft stilgestaan door ons mede te deelen, naar welk vernis
die schilders in het genoemde geval dan wel hebben gegrepen. Het is n.1. eenigzins merk-
waardig, dat de zoo bij uitstek vloeibare olie zou zijn opzij gezet voor het vernis, met
als principieele eigenschappen een zekere taaiheid en . . . een snel opdrogen.

Ieder schilder zal het eeuwenoude feit opnieuw bevestigen, dat men met olie als
bindmiddel den geheelen dag »in de natte verf” kan schilderen, terwijl men daarentegen
met vernis al spoedig in een taaie trekkende massa vastzit.

Prof. Six schrijft verder: neemt men de vernis nu van zulke schilderijen af door een
dévernissage complet, op welke wijze ook, dan gaan de zoo behandelde verven mee en
is dus de laatste voltooiing van het werk, waarmee eerst de kunstenaar zijn doel bereikte,
verloren. En elders betoogt de hooggeleerde schrijver nog, dat hij zich als bindmiddel voor
de glaceeringen een vernis voorstelt, dat in ieder geval gemakkelijk zou zijn op te lossen.

De waarheid van deze uitspraak staat gelukkig in omgekeerde verhouding tot de groote
verschrikkingen, die zij in argelooze gemoederen waarschijnlijk wel zal opwekken.

Hoewel Prof. Six nu dit vernis niet bij name noemt, is het niet moeilijk na te gaan,

1) De cursiveering is van mij. De W.

58
loading ...