Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 1.1908

Page: 261
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1908/0276
License: Free access  - all rights reserved Use / Order

0.5
1 cm
facsimile
Dr. G. DOORSLAER, Les Waghevens fondeurs de cloches. Arivers, 1908.

Vrij groot is in Holland het aantal oude klokken, die in België en voornamelijk
in Mechelen gegoten zijn. In verschillende kerktorens vallen nog de mooie gietwerken van
de Gheyn’s en de Waghevens te bewonderen en ook voor ons land is het daarom belangrijk
om kennis te nemen van de studies door Dr. Doorslaer aan deze klokgietersfamilie’s gewijd.
In het pas verschenen boven vermelde werk behandelt de geleerde schrijver de familie der
Waghevens, welke 4 geslachten van klokgieters leverde met 11 leden, wier werken tusschen
1462 en 1574 vallen. Achtereenvolgens wordt behandeld wat van elk hunner en hun werk
bekend is en het geheel is door eenige afbeeldingen van klokken en onderdeelen versierd.
Uit Nederland noemt de schrijver kerkklokken in Amsterdam, Arnemuiden, Axel, Delft,
Dordrecht, Goeree, Gouda, Goudswaard, Haarlem, Middelburg, Middelharnis, Poortugaal,
Schoonhoven, Vianen en Wilnis. J. C. O.

LES REYDAMS. Tapissiers Bruxellois par Ad. Reydams. Bruxelles, 1908.

Wij ontvingen een opstel onder bovenstaanden titel, overgedrukt uit de «Annales
de la Société d’Archéologie de Bruxelles” 1). Daarin wordt het werk van Henri Reydams
den Ouden (J~ 1669) en den Jongen (1650—1719), benevens dat van Jacques Ignace
Reydams (1683—1747) opgesomd, en nagegaan hetgeen daarvan nog en niet meer te vinden
is. Zeer welgeslaagde afbeeldingen naar nog bestaande, thans overal verspreide gobelins
der meesters illustreeren den tekst. In de Bijlagen zijn bladzijden vol brieven van museum-
directies enz., aan den schrijver gericht, afgedrukt, meestal vermeldend, dat de door hem
bedoelde gobelins niet meer in bedoeld museum, kasteel enz. berusten. De nuttigheid van
een dergelijk afdrukken in extenso betwijfelen wij ten zeerste. W. M.

R. VISSCHER, Leeuwarden van 1846 tot 1906, ’s-Gravenhage, M. Nijhoff, 1908.

Van de meeste plaatsen is de geschiedenis der vorige eeuwen meer algemeen bekend
dan die der laatste 60 jaren; de schrijvers voelen zich meer tot de verder afgelegen perioden
aangetrokken of zijn huiverig om de geschiedenis van het tijdvak, dat zij zelf mede beleefden,
te behandelen, omdat zij vrezen hiertegenover niet zoo onbevooroordeeld te staan als tegen-
over die van langer vervlogen dagen. Dit laatste geldt echter niet voor een «geschiedkundige
plaatsbeschrijving” als door Mej. Visscher gegeven, die »de eigenlijke geschiedenis der
stad, die van de ontwikkeling harer bevolking in den ruimsten zin” buiten bespreking
laat en slechts opsomt wat in de stad veranderd, bijgekomen, of verdwenen is. Juist voor
dergelijk werk is de tijdgenoot meer met allerlei details bekend of beter in staat die
gemakkelijk bijeen te brengen.

Het jaartal 1846 is als begin gekozen om aan te sluiten bij het bekende werk van
Eekhoff: «Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden”, dat in 1846 verscheen. De

1) Tomé, XXII, le et 2e livraisons, 1908, p. 79 a 149.

261
loading ...