Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 2.1909

Page: 159
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1909/0171
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
te. beweren, dat de stad geen overwegend belang heeft voor het behoud? Gelden dan
historische en architectonische redenen niet? Vergeet men dan den plicht, die een voor-
geslacht een nageslacht oplegt? Slecht in het uiterste geval, dat men geen uitweg meer ziet,
mag men tot een dergelijke slooping overgaan. Is in deze zaak het uiterste beproefd? Kan
die school niet verrijzen met behoud van de ruime lokalen, die het Reventer aanbiedt?

Verder wordt gezegd, dat voor dit gebouw aan Heeren Burgemeester en Wethouders
geen bestemming bekend is, die wettigen konde een dringende verbetering daar ter plaatse
op te offeren. Die verbetering slaat op verbreeding van de straat daar ter plaatste. Maar
overdrijft men niet? In alle jaargetijden en op alle uren van den dag ben ik het Reventer
voorbijgekomen, maar nooit ben ik daar gestuit op eenige belemmering in het verkeer.
Dit verkeer zal bovendien in het vervolg een zeer geschikte afleiding vinden over de
Nieuwe Markt. Daarheen kan men de straat verbreeden zonder het Reventer te raken.

Wat ten slotte de bestemming van dit gebouw betreft, het is als kern voor het
toekomstige Rijksarchief geknipt. Laat ons hopen, dat het eens hersteld door velen als
een sieraad van Zwolle erkend zal worden, niet het minst door hen, die het thans nog
moeten leeren waardeeren.

Mogen zij, die in deze zaak geroepen zijn te beslissen, wel in acht nemen, dat een
nageslacht hun verantwoording zal afeischen, waarom zij noodeloos »stedeschoon” schonden.

Wat met de trouwzaal geschiedde geeft in deze moed. Wij vertrouwen op de
mannen die zich of door overtuiging, berustende op wetenschap, of door bescheidenheid,
gegrond op deskundig advies, laten leiden. F. A. HOEFER.

DE »DENKMALPFLEGETAG” TE TRIER.

Het was voor de tiende maal, dat dit congres voor monumentenzorg bijeenkwam
en, al is er van een eigenlijke viering van dit jubileum geen sprake geweest, er hing toch
wel een feestelijker stemming dan anders over de vergadering, en er was een zoo talrijke
opkomst, dat die op zichzelf zeker vertoon van plechtigheid had. Waren er, verleden jaar
in Lübeck, 313 deelnemers, Trier zag er 450 en daaronder, behalve afgevaardigden der
verschillende Duitsche Staten, vertegenwoordigers uit Bohemen, Finland, Frankrijk, Hongarije,
Luxemburg, Nederland, Oostenrijk en Zwitserland. Uit ons land waren er de heeren
Frederiks en Hoefer, die met den ondergeteekende de Rijkscommissie voor de monumenten-
beschrijving vertegenwoordigden, en de heer Croockewit, lid der Provinciale Utrechtsche
monumentencommissie.

Het is langzamerhand gewoonte geworden, dat de gastgevende stad aan de leden
van het congres wat geschriften aanbiedt over de monumenten in de plaats en hare omgeving,
en in dit opzicht heeft Trier een buitengewone gulheid getoond.

Behalve enkele minder-belangrijke gidsjes en een Pharus-plattegrond der stad, ont-
vingen de congressisten tal van aardige boekjes. Een drietal daarvan is aan de Romeinsche

159
loading ...