Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 10.1917

Page: 112
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1917/0124
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
RESTAURATIES IN HISTORISCHEN EN IN ZOOGENAAMDEN

NIEUWEN STIJL.

ANTWOORD AAN Dr. JAN KALF.

Aan het slot van mijn artikel in het Aprilnummer van het Bulletin vraag ik, of
men mij onomwonden wil verklaren, of de restauratie van den gevel aan de Goudasche
kerk de verwezenlijking is van de ideeën der voormannen van de nieuwe denkbeelden
op restauratiegebied en waarom geen rekening gehouden is met de nog versche stellingen,
door den Oudheidkundigen Bond vastgesteld.

De heer Kalf beantwoordt mijn artikel zeer uitvoerig, dwaalt menigmaal van de
kwestie af, maar geeft op beide vragen, waarom het toch te doen was, geen of een zeer
onvoldoend antwoord.

Hij begint met zijne verwondering te kennen te geven, dat ik op geene wijze in
het openbaar belangstelling heb getoond voor het restauratie-vraagstuk, dat zeven jaren
geleden door den Oudheidkundigen Bond aan de orde werd gesteld. Als antwoord stel
ik den heer Kalf de vraag, of, waar mannen van naam, met groote ondervinding op het
gebied van restauratie, zich te vergeefs tegen de nieuwe richting hebben verzet, mijne
belangstelling wel eenige wijziging zou gebracht hebben in de formuleering der stellingen.
Ik geloof van neen en ik ben dan ook rustig aan mijne bezigheden gebleven. Nu ik
echter de voltooiing van de Goudasche kerkrestauratie zie, nu sta ik paf van verwondering
en kan niet nalaten, mijne afkeuring daarover uit te spreken.

De heer Kalf deelt mede, dat te Gouda geen handvormsteen in passende kleur is
gebruikt en hij betreurt dit. Heeft hij hiervoor geen scherper critiek? Er is zelfs, zegt
hij, onmiskenbaar een zekere harmonie ontstaan tusschen het oude en het nieuwe werk.

De heer Kalf houdt ook overigens zijnen geestverwanten de hand boven het
hoofd. Hij vervolgt op pag. 16: »Het gold hier de herstelling van een ingang en nissen,

welker hoofdvorm en profielen voldoende waren bewaard gebleven, om ze zonder

bezwaar te kunnen aanhouden, doch waarvan alle versierende onderdeden, hogels, kruis-
bloemen, enz. te zeer geschonden waren om behouden te blijven. Tot een poging, niet-
temin deze fragmenten toch zoo getrouw mogelijk te volgen, bestond te minder reden,
omdat het geheele werk de kennelijke blijken droeg, uit de nadagen der Gothiek te
stammen, uit de handen te komen van een meester, die tamelijk gedachteloos vormen
toepaste, waarvan de zin hem eigenlijk reeds was ontgaan. Zoo had hij zich, bij het
kappen van hogels op den rug der bogen niet behoorlijk rekenschap gegeven van de

eischen der steensnede, die hier, omdat er baksteen bij zijn bergsteen aan moest sluiten,

een rechthoekigen grondvorm vorderde en een gebogen lijf, als hij gemaakt heeft, niet toeliet.”

Hieruit blijkt, dat met eenigen goeden wil de restauratie in historischen zin wel
degelijk had kunnen geschieden. De steenvoeg had, zonder het architecturale gedeelte te
schaden, gewijzigd kunnen worden. Doch omdat het werk uit de nadagen der Gothiek

112
loading ...