Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 10.1917

Page: 198
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1917/0210
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
uit de handen van elegante Groningsche meisjes een kop thee en versnaperingen toegediend,
die na de vermoeiende wandeling een aangename verkwikking brachten.

Toen ging men, nadat de Voorzitter voor deze gastvrijheid een woord van dank
gesproken had, uiteen, tot de vergadering de meesten weer zou vereenigen.

Algemeene Vergadering van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond te Groningen
op Donderdag 28 Juni 1917, in het Commissiezaaltje van »De Harmonie".

Aanwezig: de leden Mr. Dr. J. C. Overvoorde (Lakenhal), Prof. Dr. W. Vogelsang
(Kunsthist. Instituut), Mr. J. Duparc (Die Haghe), Mr. L. G. N. Bouricius, Dr. J. Kalf,
Dr. A. W. Byvanck, Jkvr. C. Engelen, Dr. E. J. Haslinghuis, Mej. Dr. E. van der Looy
van der Leeuw, Mej. Dr. E. Neurdenburg, Dr. H. E. van Gelder (Gemeentemuseum
Den Haag), J. L. van Dalen (Oud-Dordrecht), G. J. Honig (Zaanlandsche Verz.),
Mej. I. C. E. Peelen; en de correspondeerende leden: Mr. J. A. Tellegen, F. L. S. baron
van Tuyll van Zuylen, J. Vinhuizen, Mr. J. G. C. Joosting, Jhr. W. G. Feith,
J. A. Mulock Houwer, Mr. E. J. Thomassen a Thuessink van der Hoop van Slochteren,
J. Gimberg, W. van der Pluym, Mej. E. Baelde, Mr. A. W. F. H. Sanger, Jhr. L. A.
F. van Swinderen, Prof. Dr. J. H. Gosses, Dr. H. P. Coster, Mej. W. Canter Cremers
en J. L. Schouten.

Om kwart over achten opent de voorzitter de vergadering met een toespraak,
die hierachter is afgedrukt.

Naar aanleiding van deze openingsrede vraagt Mr. Duparc het woord. Hij bedankt
voor de hem gebrachte hulde. De woorden van den voorzitter zijn hem bijzonder
welkom, daar zij hem de — reeds lang gezochte — gelegenheid geven een verklaring af
te leggen. Er is geklaagd, dat de regeering in zake restauratie van oude bouwwerken
te schriel en in zake moderne bouwwerken te onverschillig was, dat zij blind was voor
de vraagstukken van het heden. In verband met deze klacht heeft zich in den lande de
opinie gevestigd, dat de voornaamste schuld in dezen lag hij Mr. J. B. Kan, secretaris-
generaal van Binnenlandsche Zaken. Mr. Duparc wenscht dit met alle kracht tegen te
spreken. Zijn ondervinding in het afgeloopen jaar is geweest, dat deze opinie op laster-
praatjes berust. Bij alle voorstellen, die hij in het afgeloopen jaar had te bepleiten,
heeft hij op de hartelijke belangstelling en medewerking van Mr. Kan kunnen rekenen.
De voorzitter dankt Mr. Duparc voor deze verklaring, waarvan men met belangstelling
kennis zal nemen, al is zij voor den Bond overbodig, daar deze geen deel heeft aan de
verspreiding van deze praatjes.

De heer Van der Pluym vraagt nadere inlichtingen over het nieuwe Instituut van
Bouwkunst, door den voorzitter in zijn rede met ingenomenheid begroet. De voorzitter
antwoordt, dat hij weinig inlichtingen kan geven over de oprichting van dit Instituut,
aangezien deze buiten hem om is gegaan. Maar als bestuurslid kan hij zeggen, dat het
de bedoeling van het Instituut is om een zoo onpartijdig mogelijk standpunt in te nemen ten
opzichte van de verschillende stroomingen, die zich op bouwkunstig gebied voordoen.

198
loading ...