Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 3.1910

Page: 187
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1910/0199
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
Een uitvoerig register volgt aan het slot, dat echter wel wat omslachtig is ingericht,
gelijk trouwens in het »Woord vooraf" wordt erkend.

Al moge niet alles geboden zijn, wat uit oudheidkundig en kunsthistorisch oogpunt
gewenscht mocht worden, toch biedt deze uitgave zeer veel belangrijks, en ook voor andere
landstreeken zouden wij ons gaarne zoo'n gemakkelijk te raadplegen legger wenschen,
waarbij dan bij de samenstelling ook het kunsthistorisch belang meer ter harte genomen
kon worden. Op deze wijze zoude ook een belangrijk vergelijkingsmateriaal verkregen zijn
voor de locale ontwikkeling van deze meer bescheiden toepassing der steenhouwerskunst.

_ J. C. O.

TEMPLA GRONINGANA, door Dr. C. H. van Rhijn. Groningen, J. B. Wolters, 1910.

Met belangstelling begroeten wij dit werk van den Groningschen hoogleeraar, den
kundigen vorscher door wien het kerkelijk archief aldaar geordend is, hetwelk voor
hem geen geheimen bezit. Wij mogen dan ook gerust aannemen, dat, wat dit archief aan
bouwstoffen kan leveren, in dit boek is verwerkt en reeds daarom is het een werk van
blijvende waarde voor de kennis van het kerkelijk leven en de kerkgebouwen te Groningen
na de Hervorming. Ook de gedrukte werken zijn met zorg geraadpleegd en alleen de
aan een belangrijke bron, het gebouw zelf, te ontleenen gegevens schijnen niet altijd zoo
afdoende bewerkt, dat nadere vondsten uitgesloten zouden zijn. Er wordt te veel uitvoerig
behandeld wat voor de oudste tijden elders hier en daar te bewijzen is en daaruit wordt
geconcludeerd over wat te Groningen ook zou kunnen zijn, doch in hoeverre bij een nader
onderzoek aan het gebouw zelf hiervan ook sporen zouden te vinden zijn, wordt niet altijd
voldoende nagegaan. Wel wordt naar het bekende werk van C. H. Peters, Oud-Groningen
(Bouwk. Tijdschrift 1907) verwezen, doch waar deze schrijver niet steeds zijn bronnen
noemt, valt het soms moeilijk uit te maken in hoeverre diens conclusies alleen op feiten
berusten, zoodat eene verwijzing naar dit werk als bron niet afdoende is.

Dr. van Rhijn behandelt eerst de kerken en daarna het beheer. Het geheel is aan-
genaam geschreven en met eenige goede illustraties versierd. Na het boek doorgelezen te
hebben zal zeker niemand den schrijver betwisten »dat ook Groningen kerken heeft, welke
waard zijn om beschreven te worden" en den schrijver dankbaar zijn dat hij zelf die taak
op zich nam. Met eene andere zinsnede van de inleiding zouden wij ons moeilijker kunnen
vereenigen, waar hij zegt: «Verheffend is ook de levendige belangstelling voor onze
Protestantsche kerken." Niet ver van Groningen ligt de kerk te Stedum, nog kort geleden
gerestaureerd, doch door eene onkundige hand opnieuw geschilderd in schrille leelijke
kleuren, en die te Sleen, waar door onvoldoende onderhoud de vroeger op Rijks kosten
gerestaureerde kerk in slechten toestand verkeert of althans nog kort geleden verkeerde.
In Amsterdam was de belangstelling verheffend om de Oudezijdskapel te sloopen en te
Hazerswoude nog kort geleden om de mooie kerkkroonen ver beneden de waarde te
verkoopen. Gelukkig zijn er ook voorbeelden van werkelijke belangstelling, doch om die

187
loading ...