Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 3.1910

Page: 29
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1910/0041
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
der meest sprekende voorwerpen en details uit verschillende tijdperken (in den vorm van
prentbriefkaart), 't zijn enkele der middelen die tot dat doel brengen. Dat hij, die tegen-
woordig de leiding van deze voor ons volk zoo hoogstbelangrijke verzameling heeft, in
alles steunt waar hij kan, velen erkennen dit reeds dankbaar. Dat deze heer gaarne in
nóg uitgebreider zin voorlichter zou willen zijn, wie twijfelt daaraan, wanneer hij ziet,
wat in de verzameling onder zijn beheer reeds gedaan is, hoe zij groeit.

Daarvan getuigen ook de catalogi, de photographische afbeeldingen naar sierkunst-
producten, welke op aanvrage bij hem tegen vergoeding van den kostenden prijs voor ieder
verkrijgbaar zijn. Het wil aan ondergeteekende voorkomen, dat dit alles echter nog niet
genoeg is. Juist de krachten, die het meest konden profiteeren, zijn nü buitengesloten. Onze
ambachtsman, de uitvoerder van de moderne kunstnijverheidsproducten, niet minder dan
de teekenaar of de patroon, moeten in staat gesteld worden, gelijk gezegd, om door eigen
aanschouwing het oog te oefenen, de vormen te bestudeeren, welke hun hand straks heeft
uit te voeren. De gelegenheid behoort gegeven te worden, om de Rijksverzameling zóó
in te richten, dat ze haar doel, onze tegenwoordige en toekomstige ambachtslieden tot
steun te zijn bij de zoo hoognoodige studie in hun vak, kan bereiken.

J. L. VAN ISHOVEN,
Leeraar le Ambachtsschool Amsterdam.

NATIONALE AESTHETICA EN EEN PROFESSORALE VERGISSING?

Zeker, 't is voor een schrijver een voorrecht, dat een der hoogleeraren, belast met
het voor onze Universiteiten nieuwe vak der aesthetica, van diens historischen arbeid op
dit gebied kennis neemt, en daarover eenige waardeerende woorden meent te kunnen
zeggen. Zeer natuurlijk is 't ook, dat hij, de officieel aangestelde wachter, zijn waarschuwende
stem laat hooren, wanneer hij vreest, dat de Nationale Aesthetica gevaar loopt aangerand
of niet genoeg gewaardeerd te worden.

Maar vreemd klinkt het, wanneer deze hooggeleerde, denkende in de beschouwingen
omtrent een zeker soort kunst en haar waardeering een «nationale vergissing" te zien,
daarbij den schijn wekt, zich zelf te vergissen.

Prof. Dr. W. Vogelsang, in het Bulletin van den Oudheidk. Bond mijn opstel :)
over den Amsterdamschen goudsmid en mozaiekwerker Dirk van Rijswijck besprekend,
onder: Nationale Aesthetica en nationale vergissingen, maakt bezwaar tegen wat hij noemt:
»een magere(n) inslag van aesthetische oordeelen over het werk van D. v. R.", dat »gaat
door het weefsel van dit historisch opstel." Ik erken, dat het niet mijn hoofddoel was
eene aesthetische beschouwing over het werk van D. v. R. te leveren, doch in de eerste
plaats de geschiedenis van dezen vergeten 17e-eeuwschen kunstenaar en zijn werk, dat
met zooveel lof door Vondel bezongen is, te onderzoeken en in 't juiste licht te stellen.

1) Jaarverslag van het Kon. Oudh. Genootschap, 1909.

29
loading ...