Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 3.1910

Page: 43
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1910/0055
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
Tot in de zestiger jaren der negentiende eeuw hebben deze stukken op den Doelen
en in regentenkamers gehangen. Er waren toen reeds lang gaten in hier en daar en de
jongens schoten er zelfs wel op, gelijk wijlen de Heer Scholten mij eens heeft verteld. Waar
men de ergste plekken al eens bijgewerkt had, was dit natuurlijk op onoordeelkundige
wijze geschied. Ook is er vaak, vooral door gebruik van olievernis, veel bedorvenr).
Eerst later is de meer oordeelkundige behandeling begonnen, is men met meer piëteit
opgetreden. Maar tal van oude overschilderingen zijn natuurlijk gebleven.

Op verwijdering van wat daarvan te veel aanwezig is, dringt nu de Heer de Wild
aan. Ik onthoud mij van een oordeel over de twee middelen tot herstel die hij aangeeft.
Alleen wil ik constateeren, dat ik, onlangs nog eens nauwkeurig den toestand der schilderijen
onderzoekende, tot geen andere conclusie ben gekomen, dan dat het rapport de Wild den
toestand volkomen juist weer geeft, op één uitzondering na. Wat nl. betreft het over-
schilderen van het tafelkleed der regentessen 2) durf ik den Heer de Wild niet onvoor-
waardelijk in het gelijk te stellen: de mogelijkheid is zeer zeker niet uitgesloten, dat het
lang geleden overgeschilderd is, maar de vernislaag is m.i. te dik, dan dat men dit, zonder
die eerst dunner te maken, met zekerheid kan constateeren.

Alle andere retouches en overschilderingen, door den Heer de Wild aangegeven,
waren te constateeren en ook in de opsomming der verschillende vernis- en olielagen, door
den Heer de Wild gegeven, vond ik geen overdrijving, of afwijking van eigen bevindingen.

W. MARTIN.

RAPPORT, UITGEBRACHT AAN DE COMMISSIE VAN HET
STEDELIJK MUSEUM TE HAARLEM.

Mijne Heeren,

Op grond van een nauwkeurig onderzoek der schilderijen van Frans Hals in het
Stedelijk Museum te Haarlem, hetwelk ik naar aanleiding van Uw geëerd schrijven d.d.
10 Juni j.1. mocht instellen, heb ik de eer U hierbij een rapport aan te bieden over den
toestand, waarin die schilderijen zich bevinden, met eene opgave der behandelingen, die
voor een meer of minder rationeel herstel noodzakelijk zijn.

Het feit in aanmerking genomen, dat een gewichtige factor bij het conserveeren
van schilderijen, n.1. het vernis, hier herhaaldelijk zal ter sprake worden gebracht, daar deze
factor bij een eventueel herstel der schilderijen van Frans Hals een bijzonder belangrijke
plaats inneemt, meende ik daar vooreerst bij stil te moeten staan om te wijzen op het
eigenlijk doel der vernissen, en de veranderingen die zij allengs ondergaan.

In de eerste plaats is het doel tweeledig. Het vernis behoort ons de optische eigen-

1) Hoe diep ingeworteld het gebruik van olievernis is, bleek mij nog eenige maanden geleden,
toen een kunstschilder mij opgetogen kwam vertellen, dat een oude copie naar Rubens, die hij kort te
voren ter beoordeeling had gezonden, zooveel mooier was geworden, sinds hij haar met olie had behandeld.

2) Zie beneden blz. 50.

43
loading ...