Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 3.1910

Page: 25
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1910/0037
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
(130 X 103-Vs) gezicht in de Mariekerk in 's Rijks-Museum (1641) met zijn warme bruin,
zijn goud en zijn diepe incarnaat, maar die meest luchtiger van toets een teerder melodie
doen klinken als een geestelijk liedeken van Sweelinck a capella gezongen, zonder de
zware toonen van het orgel, waarin de menschelijke stem verdrinkt als de lichte ruimte
der kerken in de zwarte schaduwen van een Emanuel de Witte, hoe rijk van schakeering
diens werk ook moge zijn. De volle rijkdom van het eene kan naast de zuivere eelheid
van het ander bestaan. Moge persoonlijke smaak de voorkeur geven aan den ouderen of
den jongeren meester, een onbevangen oordeel zal beiden den lof geven, die hun toekomt.
Ik wilde doen zien, dat niet in de bedenkelijk vertrouwen wekkende voordracht van
Saenredam's onbeholpen perspectivische constructies der architectuur alleen, maar vooral
in zijn schildersblik, in zijn groote gaven als colorist, zijn beteekenis als kunstenaar ligt.

J. SIX.

VALKHOF TE NIJMEGEN.

Bij besluit van den Gemeenteraad te Nijmegen, d.d. 22 Jan. j.1. werd ƒ 700.—toegestaan
om de zoogenaamde »Ruïne" — de halfronde nis van Barbarossa's paleisherstelling — rondom
te ontgraven en het omgevende plantsoen met die ontgraving in goede verbinding te brengen.

Sedert de slooping van den Burcht, kort voor het jaar 1800, was in den toestand
geen verandering gebracht. De »ruïne" behoorde tot de beide »kapellen", die de stad
Nijmegen, met het terrein van het Valkhof, had aangekocht om gespaard te blijven. Deze
»kapellen" bleven dus behouden en werden, zoo goed als het ging, in orde gebracht.
Spoedig bleek dat het gewelf, dat de zoogenaamd «Roomse kapel" (d. i. de als »ruïne"
bekend staande Barbarossa-hal) in twee verdiepingen verdeelde, niet wel houdbaar was.
Dit gewelf werd dus gesloopt en zoo ontstond de rijzige halfronde-hal met half koepel-
gewelf en aansluitende vleugelmuren, die aan alle bezoekers van het Valkhof bekend is.

Het terrein rondom de »ruïne" was sedert lang opgehoogd. Een gravure in
Rademaker's : Kabinet van Nederl. Oudheden, (]e deel No. 283), die het jaartal 1670 draagt,
toont ons de achterzijde nog met zichtbaar plint, waaruit de lisenen oprijzen. In een latere
gravure, gedateerd 1732 (ook opgenomen in Arkstee : Nijmegen de Hoofdstad der Batavieren)
is dit plint reeds door ophooging aan het oog onttrokken. Het bleef bij den aanleg van
het plantsoen, onmiddellijk na de slooping, onder den grond bedolven.

In 1895 had, onder leiding van ondergeteekende, eene ontgraving plaats, waarbij de
N.W. hoek van het bouwwerk en een gedeelte van diens Noordzijde werden bloot
gelegd. Het voormalige plint werd nog in wezen bevonden en daardoor kon het niveau
der omgeving tijdens de stichting (in 1155) worden bepaald. Het werd bevonden ter diepte
van 1,10 Meter beneden de grasvlakte, die, na de slooping, de bevloering heeft gevormd
van de naar het Westen openliggende binnenruimte. Tevens bleek dat op 1,46 M. beneden
die grasvlakte een ruwe vloer van baksteenen op hun plat aanwezig was, wiens hoogte

25
loading ...