Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 3.1910

Page: 210
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1910/0222
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
grijs le: lichtblauw met een doorschijnende gele laag er over; grijs 2e: lichtgeel
met een doorschijnende blauwe laag er over. Op zich zelf is dit denkbaar.

Photografeert men nu grijs le door een geel filter dan is de positieve afdruk ervan
witter dan als grijs le door een blauw filter wordt gefotografeerd, immers in dit laatste
geval zijn de stralen, afkomstig van het blauw in de ondergrond, reeds geabsorbeerd in
het gele glacis, terwijl het gele licht ontstaan door terugkaatsing op het wit van de
achtergrond en na passeering door het gele glacis, door het blauwe filter wordt tegen-
gehouden, zoodat de positieve afdruk donker zal zijn.

De lezer kan zelf gemakkelijk nagaan dat als grijs 2^ gefotografeerd wordt door een
geel filter, de afdruk donkerder moet zijn dan als het door een blauw filter wordt opgenomen.

De tegenstelling tusschen verschillende soorten grijs, zou dan verscherpt worden
door deze wijze van fotografeeren. Men zij echter met de conclusies uit proeven over dit
delicate onderwerp getrokken, voorzichtig.

Utrecht. Dr. N. G. VAN HUFFEL.

DE KERK VAN ETTEN (IN N.-B.).

(Vervolg van blz. 70).

III. DE LAAT-GOTHISCHE HALLENKERK.

In het laatst der zeventiende eeuw, toen Nuyts zijne geschiedenis schreef, waren
landbouw en veeteelt de voornaamste bestaansbronnen van Etten geworden. Rogge, haver,
tarwe en gerst werden er verbouwd, maar vooral boekweit — deze laatste in zoo groote
hoeveelheid, dat zij met menigte van schepen naar Holland, Zeeland en verder ter markt
werd gebracht. De onder Etten gelegen polders boden weide- en hooiland, ook voor
omliggende dorpen als Zundert, Rijsbergen enz.

In vroeger dagen echter had Etten voornamelijk bestaan van de turf nering. Ver-
schillende bizonderheden, door Nuyts opgeteekend, bewijzen de voormalige aanwezigheid
van hoogveen op plaatsen, waar in zijnen tijd de heide reeds was blootgegraven. De noodige
kanalen en wegen gaven gelegenheid de turf te vervoeren naar bepaalde laadplaatsen,
vanwaar zij langs de twee hoofdvaarten — de Leursche en de Laaksche vaart — naar de markt
te Breda en verder konden worden gebracht. Nog bij overlevering weet Nuyts te verhalen,
dat meer dan 700 schepen de turf van Leur kwamen halen. Zoo kunnen wij ons voor-
stellen hoe de turfnering al meer bevolking naar de omstreken van Etten had gelokt, sinds
Raso van Gaveren in 1297 de »monnikenmoeren" had verkocht1) en Jan van Brabant in
1331 de venen van den Bremberg had uitgegeven aan eenige ondernemende Antwerpenaars 3).

1) Van der Aa, «Geschiedkundige beschrijving van de stad Breda en hare omstreken", blz. 233.

2) Handschrift Nuyts, blz. 9 v. Ook Gramaye, (»Antiquitates Bredanae", p. 21) geeft hoog op
van de oude welvarendheid in Etten — »nec mirum, cum prompto expeditoque itinere integrum esset
ejus incolis in Hollandiam, Zelandiamque et alio negotiandi gratia excurrere; et domi haberent inaesti-
mabiles cespitum thesauros, exteris communicandos."

210
loading ...