Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 3.1910

Page: 8
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1910/0020
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
VERSLAG DER COMMISSIE TER VOORBEREIDING VAN WETTELIJKE
MONUMENTENBESCHERMING.

Aan het Bestuur van den Nederlandschen
Oudheidkundigen Bond.

De Commissie is uitgegaan van het denkbeeld, dat het hare taak was de gegevens
bijeen te brengen, die Uw Bestuur in staat zouden stellen zich te wenden tot de Regeering
met het verzoek een wetsontwerp betreffende de bescherming der monumenten van
geschiedenis en kunst bij de Kamers aanhangig te maken, en bij dat verzoek tevens de
hoofdlijnen aan te geven, waarbinnen zulk ontwerp zich zal hebben te bewegen, wil het
eenigermate voldoen aan de wenschen, in dit opzicht in de kringen van kunstminnaars
en oudheidkundigen gekoesterd, en tevens zooveel mogelijk zich aansluiten bij in Nederland
heerschende toestanden en rechtsbegrippen.

Bij deze opvatting van hare taak, meende zij, dat het resultaat van haren arbeid
niet den vorm van een wetsontwerp had aan te nemen, doch dat het de leidende beginselen
voor zoodanig ontwerp in ordelijke rangschikking moest formuleeren en toelichten.

Het is der Commissie niet noodig voorgekomen zulk een schema te doen vergezeld
gaan van een overzicht der in andere landen te dezer zake bestaande wettelijke regelingen,
omdat zoodanig overzicht gemakkelijk is te vinden in verschillende buitenlandsche werken,
en ook, althans wat de hoofdzaken betreft, in opstellen, vroeger gepubliceerd door hare
leden Mr. Overvoorde ]) en Prof. Molengraaffa).

Ook het opnieuw bepleiten van de wenschelijkheid zelve van wettelijke monumenten-
bescherming scheen haar niet noodzakelijk. Hetgeen thans reeds door Regeering en
Volksvertegenwoordiging feitelijk wordt verricht ten behoeve der monumentenzorg — de
jaarlijksche aanvrage en beschikbaarstelling van gelden voor de instandhouding en
beschrijving van monumenten, de herhaaldelijk in de Tweede Kamer geuite, en door de
Regeering beaamde, wensch tot wettelijke bescherming der gedenkteekenen van oude
kunst en geschiedenis — het schijnt ruim voldoende om aan te nemen, dat er ten gunste
van zoodanige wettelijke voorziening in ons land eene communis opinio bestaat.

Het kon ook wel niet anders, of juist de reeds bestaande staatsbemoeiing voor
het behoud der monumenten moest leiden tot het inzicht, dat dit als «algemeen belang"
erkende, als voorwerp van Staatszorg nagestreefd, behoud niet behoorlijk verzekerd is,
zoolang de Staat niet de macht heeft dwingend op te treden, daar waar overreding blijkt
te kort te schieten.

Een recente gebeurtenis als de zeer betreurenswaardige vernietiging der N. Z. Kapel
te Amsterdam, het harde feit, dat een, zoowel uit historisch als uit artistiek oogpunt
allerbelangrijkst gebouw in de hoofdstad des Rijks kon worden gesloopt — zulk een
droevig voorval kan bevestigen, dat de Regeering, ook al zijn de ruimste geldmiddelen

1) Bulletin van den Nederl. Oudheidkundigen Bond, II, blz. 60 vv.

2) De Gids, 1905, III, blz. 45 vv.

8
loading ...