Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 3.1910

Page: 56
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1910/0068
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
deele veranderd nog daaronder moet bevinden. Zoolang het behoud eener oude schilderij
er niet mede gemoeid is, passé men daarop liefst geen restauratie, in welken vorm ook,
toe, men mag daarentegen niet uit het oog verliezen, dat door een tijdig ingrijpen zeer
veel kan worden voorkomen.

Nu door allerlei ondeskundige behandelingen de schilderijen van Frans Hals in
een gevaarlijken toestand zijn geraakt, achtte ik mij verplicht te adviseeren tot het nemen
van die maatregelen, welke daaraan een einde kunnen maken.

Het meest gunstige oogenblik voor een rationeel herstel heeft men vroeger laten
voorbijgaan. En terwijl nu reeds groote moeielijkheden overwonnen zullen moeten worden,
zal een afdoende restauratie in de toekomst blijken zoo goed als onmogelijk te zijn.
's-Gravenhage, Juli 1909. C. F. L. DE WILD.

HET HUIS DE ROODENBURG TE 'S-HERTOGENBOSCH.

Volgens de oude Bossche kronijkschrijvers werd de stad 's Hertogenbosch in het
jaar 1185 gesticht en werden daar tenzelfden tijde vier voorname huizen gebouwd, waarvan
het een bestemd was tot verblijf van den Hertog van Brabant, het ander, dat genaamd
werd het Hof van Brabant, tot beheer van diens domeinen, en de beide anderen tot
woning voor twee edellieden, van wie de een heette Jacop Coptiten of Coppetijn en de
ander Henrick Berckerdijn of Beckerlijn. Van deze beide laatste huizen kreeg dat van
Coptiten den naam van de Moriaan en dat van Berckerdijn dien van de Roodenburg.
Zij stonden aan de Groote Markt en waren van elkander gescheiden door eene straat, die
oudtijds de Tolbrugstraat heette en nu de Marktstraat genaamd wordt. Cuperinus schreef,
dat Hertog Hendrik I van Brabant ze bouwde, J. van Oudenhoven en S. Pelgromius, dat
zij gesticht werden uyt de ghemeene stadtsmiddelen tot vercieringhe van de nieuwe stadt; toch
kunnen deze drie kronijkschrijvers allen zeer goed gelijk hebben. Blijkens Cuperinus waren
de eerste bewoners van die huizen twee al te mechtige ende rycke jonckers of borgers,
die seer groot ende geacht waren int hoff van Brabant by hartoch Henrick.

Den naam van Coptiten of Coppetijn, dien, als gezegd, een hunner voerde, trof
ik herhaaldelijk in de oude Bossche schepenregisters aan, dien van Berckerdijn of Beckerlijn
evenwel nooit; maar daarom is die nog niet als een legendarische te beschouwen, want
daartegen verzet zich de betrouwbaarheid van genoemde kronijkschrijvers.

Tussen desen twee jonckers was, volgens Cuperinus, aanvankelijk groote minne ende
vrintschap ende sy aten ende droncken dicwils te samen seer minnelijck ende in grooter vreuchden ;
zij kwamen daartoe, zooals de Bossche kronijkschrij ver Molius mededeelt, bijeen over eene
brug, die tusschen hunne huizen over de Marktstraat geslagen was. Mer, zoo verhaalt
Cuperinus verder, namaels is tussen dese twee jonckers gevallen, door duvels ingegeven,
alsoo groote viantscap, dat die ganse stat om hare viantscap viel in groote partyscap ende
tweedracht, daer groote moorderye, rooverye ende dootslagen om quamen onder die borgers.

56
loading ...