Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 3.1910

Page: 18
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1910/0030
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
iederen houder op te vorderen. Ter waarschuwing van eventueele koopers of in-pand-nemers
ware het nuttig tevens te bepalen, dat deze goederen van een stempel of etiket, dat niet
groot behoeft te wezen, zullen worden voorzien, zoodat een ieder kan weten, dat hij met
een geklasseerd voorwerp te doen heeft.

Wat, ten slotte, den aard der sanctie betreft, aan de ontworpen bepalingen te
hechten, wenscht de Commissie de volgende opmerkingen te maken. Schijnt het in het
algemeen aangewezen strafbepalingen te stellen, overeenkomende met die, bepaald voor
overtredingen betreffende de openbare orde (Wetboek van Strafrecht, boek III, titel II),
bij de bepaling van het bedrag der op te leggen boeten dient toch rekening te worden
gehouden met het feit, dat de overtredingen in den regel het gevolg zullen zijn van baatzucht,
zoodat geringe boeten niet afschrikwekkend zullen werken. De eigenaar b.v. van een oud
huis met een fraaie kamerbetimmering, die geklasseerd is, zal zich van verkoop daarvan
niet laten terughouden, indien hij daarmede slechts eene boete beloopt, ver beneden de
opbrengst van den verkoop. Wil men dus in zulk geval niet dadelijk hechtenis behoeven
toe te passen, dan zal eene hooge boete moeten opgelegd kunnen worden, liefst eene gelijk
aan de opbrengst of de geschatte waarde van het verkochte kunstwerk.

Voorts dient verdubbeling der straffen mogelijk te zijn, indien, tijdens het plegen
der overtreding, nog niet twee jaren verloopen zijn, sedert eene vroegere veroordeeling
van den schuldige wegens dergelijke overtreding onherroepelijk is geworden.

En eindelijk dienen de bepalingen van art. 34 van het Wetboek van Strafrecht,
betreffende verbeurdverklaring, toegepast te worden ten opzichte der oudheden, bedoeld
in de punten 11, 12, 13, 14 en 15.

De Commissie voornoemd:

Victor de Stuers, Voorzitter. J. C. Overvoorde.

M. I. Duparc. A. F. O. van Sasse van Ysselt.

Seerp Gratama. C. W. Vollgraff.

W. L. P. A. Molengraaff. Jan Kalf, Secretaris.

's-Gravenhage, 15 Februari 1910.

PIETER SAENREDAM.

Reeds is het tien jaar geleden dat Dr. Corn. Hofstede de Groot, bij de belang-
wekkende uitgaaf van »Utrechtsche kerken, teekeningen en schilderijen van Pieter Saenredam",
na de Nederlandsche kerkschilders in drie groepen verdeeld te hebben, onzen meester
aldus kenschetst: »De derde groep behoort te Haarlem thuis. Tot haar behooren in de
eerste plaats Pieter Saenredam en diens leerling Isaack van Nickele. Zij bezitten noch den
fantastischen zin voor de kolossale renaissance gebouwen, die aan de eerstgenoemde, noch
de poëtische ontvankelijkheid voor het clair-obscur, die aan de tweede groep eigen is. Zij
schilderen de kerken die zij zien, uit liefde voor de architectuur, hun eenig streven is de

18
loading ...