Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 3.1910

Page: 17
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1910/0029
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
In sommige buitenlandsche wetten is den Staat ook het recht verzekerd, op terreinen,
welke hem niet toebehooren en waarin geen gravingen geschieden, opgravingen te doen
in het belang der oudheidkunde. Hoewel den Staat daarmede een geringere bevoegdheid
wordt gegeven, dan met het recht van onteigening, is eene dergelijke bepaling toch in de
praktijk voor de grondeigenaren veel bezwarender.

Onteigening is een maatregel, welker toepasssing zóóveel omslag vordert en zóó
groote kosten na zich sleept, dat hij altijd een uiterste middel zal blijven en dus door
belanghebbenden niet kan worden gevoeld als een steeds boven hun hoofd hangende
bedreiging van hun bezit. Heeft de Staat echter het recht in ieder terrein, tegen den wil
van den eigenaar, tegen vergoeding der schade opgravingen te doen, dan ziet de grond-
bezitter daarin terecht het gevaar in de vrije beschikking over zijn grond op het ongelegenst
oogenblik belemmerd te kunnen worden, daar de materieele schade, welke hem vergoed
wordt, in den regel geene zóó groote uitgaven zal vorderen, dat de Staat zich daardoor
behoeft te laten afschrikken. Ook valt er rekening te houden met allerlei psychologische
momenten — zooals de lust van een landbouwer in zijn te velde staand gewas, of de liefde
van een landbezitter voor een aanwezigen aanleg —, die den grondeigenaar af keerig maken
van het denkbeeld op zijn terrein opgravingen te moeten gedoogen.

Waar nu het succes van de voorgestelde bepalingen betreffende opgravingen en
vondsten ten nauwste verbonden is aan den goeden wil der grondeigenaren, daar overtreding
der wetsbepalingen in vele gevallen zoo gemakkelijk zonder gevaar zal kunnen geschieden,
moet zooveel mogelijk alles worden vermeden, wat antipathie kan wekken tegen het werk
der oudheidkundigen.

Verder te gaan dan den Staat het in punt 15 voorgeschreven bemoeiingsrecht te
geven ten opzichte van terreinen, waar gravingen reeds in gang zijn, scheen de meerderheid
der Commissie daarom ongeraden — gelijk dit trouwens het inzicht is van een op dit
gebied zoo gezaghebbend man als Prof. Dragendorff, die met het wetenschappelijk toezicht
op de oudheidkundige opgravingen in Duitschland is belast.

17. Handelingen in strijd met bovenstaande bepalingen, of belettende de uitvoering
daarvan, worden strafbaar gesteld en beschouwd als overtredingen.

Toelichting. — De Commissie heeft het niet hare taak geacht te onderzoeken in
hoeverre elke overtreding tot eene strafvervolging aanleiding zal kunnen geven.

Tegenover openbare lichamen kan mede van hoogerhand worden gewaakt voor de
naleving der beschermende bepalingen, door besluiten, strekkende tot vernietiging, wijziging,
vervreemding, enz. van onroerende of roerende geklasseerde zaken, niet goed te keuren,
of — ingeval goedkeuring niet vereischt wordt — te vernietigen. Voor zooverre zulk toezicht
niet reeds krachtens bestaande wetsbepalingen kan worden uitgeoefend, zou het nader behooren
te worden vastgesteld.

Bovendien zou kunnen worden bepaald, dat vervreemding en in-pand-geving van
geklasseerde roerende goederen nietig zijn en den Staat het recht geven die goederen onder

2

17
loading ...