Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 3.1910

Page: 202
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1910/0214
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
eene opmerkelijke verbetering: het misteekende kapiteel, dat de schilder geconstrueerd
had op eene der drie hierboven medegedeelde detailteekeningetjes, is, blijkbaar met
behulp dezer constructie, thans verbeterd; ook op de schilderij zal dus het stuk stellig
geprijkt hebben in volkomen juiste verhoudingen, hoewel het kleureffect door deze ver-
betering natuurlijk hoegenaamd niet gebaat wordt. Wijzend op de teekenmg zou Prof. Six
nu hebben kunnen betoogen, dat Saenredam het zoo nauw niet nam met de details zijner
kerkschilderingen, — hem zelfs hebben kunnen brandmerken als een «volkomen onbetrouw-
baren" getuige; met verwijzing naar de tweede teekening kan ik echter antwoorden, dat
Saenredam, hoe bijzonder nauwgezet hij juist in dit geval blijkt te zijn, zich, als alle
menschen, heeft kunnen vergissen ; maar dat de bedoeling om iets anders, iets fraaiers wellicht
dan hij zag, weer te geven hem vreemd is geweest.

Pieter Saenredam heeft, ik ben er van overtuigd, bedoeld, de heerlijke monumenten
van Oud-Nederland, die hij bewonderde en liefhad, weer te geven in hunne eigene
vlekkelooze schoonheid; hij heeft, kunstenaar als hij was, dit gedaan met zeldzamen smaak
en met veel talent. Maar al bewonderen wij hem daarom als colorist, — al zal dit, ook
in onze oogen, steeds zijn adelbrief blijven, — wij mogen daarnevens hem den lof niet
onthouden, dat hij — allermeest in zijne teekeningen, maar toch ook op zijne schilderijen —
een consciëntieus, een onwaardeerbaar getuige is en blijven zal voor de kennis der middel-
eeuwsche monumenten van Noord-Nederland.

Over de drie kerkgezichten, door prof. Six voor zijne opinie aangehaald, ten slotte
nog een paar woorden:

1°. De gevel der Mariekerk, wiens verhoudingen in 1662 geheel anders geteekend
zijn dan in 1663. De premisse geef ik toe, niet de daaruit getrokken conclusie. In 1663
schilderde Saenredam de Marieplaats naar zijne teekening van 1636. Maar de gevel der
kerk, op die teekening door boomen bedekt, moest veranderd worden. Voor die verandering
kan hebben gediend de schilderij van 1662, maar toch slechts indirect; want op het straat-
gezicht wordt de gevel gezien in het verkort. De schilder heeft dus den gevel perspectivisch
verteekend; hij heeft den achterwaarts geplaatsten toren verschoven achter den gevel, zooals
het behoorde, en hij heeft ook de in het verkort geziene vensters versmald. Maar bij deze
kunstmatige operatie, niet naar de natuur, is des schilders kracht te kort geschoten in het
ongewone werk: zijn gevel is misteekend. Natuurlijk geef ik dus toe, dat deze schilderij
van Saenredam een onjuist getuigenis geeft over den gevel van St. Marie; maar beslist
ontken ik toch, dat hieruit blijken zal, dat Saenredam zijn model heeft veranderd om
picturale redenen.

2°. Een kerkgezicht uit de collectie Séguier. De heer Six noemt het onderwerp dezer
schilderij niet; maar hij voert aan, dat eene reproductie daarvan op eene prent van
E. van de Velde andere verhoudingen vertoont. Ik moet bekennen, dat ik de kracht van
dit argument niet vat. Indien de gegraveerde reproductie van eene schilderij van Saenredam
in sommige opzichten afwijkt van haar origineel, dan is dit toch stellig de schuld van den
graveur, niet die van Saenredam, die het model leverde.

202
loading ...