Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 12.1919

Page: 93
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1919/0103
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
r.




V

1A

o

o

1



3

Q

0

Q



(



1

O

c

ü

D

k

L-

O CD O ' 0

tl



c



1



c



m

A

MONUMENTEN VAN GESCHIEDENIS EN KUNST

IN NIJMEGEN.

Bij het samenstellen eener beschrijving van de overgebleven gebouwen en daartoe
behoorende kunstwerken eener bepaalde plaats stuit men op de moeilijkheid dat het
aanhouden eener zuiver chronologische volgorde ten gevolge kan hebben, dat meermalen
tot een zelfde gebouw moet worden teruggekeerd. Daardoor gaat dan het overzicht over
de wording van het gebouw verloren.

Bespreekt men daarentegen de gebouwen slechts afzonderlijk, dan blijft te vreezen
dat het algemeene overzicht over hetgeen geleidelijk werd, niet tot zijn recht zal komen.

Een middenweg schijnt daarom geboden en wordt door ons ingeslagen door een
eenigszins uitgewerkte opsomming naar de tijdsorde te laten volgen door een afzonderlijke
beschrijving van de voornaamste der genoemde monumenten, gerangschikt naar hun
bijzondere bestemming.

Het bleek onmogelijk daarbij elke herhaling te vermijden, maar, waar zij voorkomt,
strekt zij ongetwijfeld tot meerdere duidelijkheid en diene dit den schrijver tot verschooning.

1. Uit de geschiedenis van Nijmegen’s wording en hare monumenten.

Nijmegen, dat voor ruim een eeuw geleden nog trotsch ging op het bezit van
zijn keizerlijken burcht, een monument van toenmaals meer dan duizendjarigen ouderdom,
gold sinds eeuwen als de oudste stad van Nederland.

In een nog bewaard, op steen gebeiteld opschrift uit het jaar 1155, dat Frederik
Barbarossa huldigt als den wederoprichter van den keizersburcht, wordt Julius Caesar
als haren eersten stichter genoemd en daarmede de oorsprong van de latere stad tot het
begin onzer vaderlandsche geschiedenis teruggebracht.

Latere eeuwen zijn niet achtergebleven in het hooghouden dier traditie. De beide
Smetiussen, vader en zoon (1590 1617 en 1636 1704), achtereenvolgens predikant te
Nijmegen en beiden als verzamelaars harer oudheden en kenners harer geschiedenis
vermaard, ijverden ten zeerste voor de bevestiging van den overgeleverden roem der stad.
Niet minder krachtig volgde hen hierin de rechtsgeleerde en oudheidkenner Mr. G. C.
In de Betouw (1731 — 1820), de schrijver van zoovele werkjes over de Romeinsche
vondsten uit Nijmegen’s eerste tijden.

7

93
loading ...