Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 3.1910

Page: 203
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1910/0215
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
3°. Een gezicht in de Haarlemsche St. Bavokerk, waarop voorkomt het grafmonument
van een bisschop. Dit is 's heeren Six krachtigste argument; want het monument is van
elders niet bekend, en de heer Six verklaart dan ook met stelligheid, dat het nooit op
die plaats aanwezig is geweest; het wapentje van 's bisschops epitaaf, een ander dan het
wapentje, voorkomende op Saenredam's toevallig bewaarde teekening, kenmerkt het monument
als eene fantasie. Welnu, zóó vast sta ik in mijn geloof aan Saenredam's vertrouwbaarheid
als historisch getuige, dat ik tot nader order op zijn gezag alleen aanneem, dat het monument
eenmaal op die plaats gestaan heeft en verdwenen is, zooals zoovele van onze oude graf-
monumenten. Ik ontken, dat het monument daar misplaatst was : het staat niet voor het
koorhek, maar aan de noordzijde van het schip, over den preekstoel, als ik wel zie. Ik
ontken, dat de bisschopsfiguur ontleend is aan Londerseel; want ik kan hoegenaamd geene
overeenkomst ontdekken tusschen diens gedrongen opziende pausfiguur en de lange gebogen
gestalte op het monument. De verandering van het wapen is inderdaad zéér zonderling,
ik kan die niet verklaren; maar naar alles, wat ik weet van de werkwijze van Pieter
Saenredam, kan ik niet aannemen, dat deze verandering «willekeurig" is geweest. Wie de
voorgestelde persoon kan geweest zijn? Ik weet het niet. Het moet iemand geweest zijn
uit het midden der 16e eeuw: een der laatste abten van Egmond, een der bisschoppen
van Haarlem, of de een of andere wijbisschop. Maar al kan ik den man niet aanwijzen, ik
geef de hoop niet op, dat het grafschrift, dat Saenredam alweder zorgvol heeft weergegeven,
nog eenmaal den naam, dien wij zoeken, zal doen ontdekken en zoodoende Saenredam's
authoriteit zal handhaven.

S. MULLER Fz.

■--~ ===== ■ ■ ■ : — ■

ONTLEENINGEN ]).
III. Cornelis Engebrechtsz. en Hans Burgkmair.

Het aanwijzen van ontleeningen, door kunstenaars, aan het werk van anderen is
niet de meest gewaardeerde bezigheid van den kunsthistoricus, niet de meest beminnelijke
manie die hem bevangen kan. Toch is het werk dat steeds weer gedaan zal moeten
worden tot recht begrip van den samenhang der verschillende scholen, van de ontwikkeling
der nooit afgezonderd staande meesters. De geestelijke vreugden die men bovendien bij
dezen arbeid smaken kan zijn niet zoo gering. Veelal zal men in de vergelijking van
voorbeeld en navolging het middel vinden om zijn oordeel over de qualiteits-waarden
van beide te verdiepen. Altijd zal men met grooter scherpte dan gewoonlijk en met
levendiger belangstelling zijn objecten ontleden en waarnemen.

Het is daarom mijn plan van tijd tot tijd de merkwaardigste ontleeningen die te
mijner kennis komen hier, ook door middel van afbeeldingen, vast te leggen. Hetzelfde

1) Andere ontleeningen wees ik aan in «Bulletin" VI, pag. 180—183 en Tweede serie II, pag. 151—153.

203
loading ...